Error message

Notice: Undefined index: localized_options in menu_navigation_links() (line 1857 of /public/sites/www.paulinevandenheuvel.nl/includes/menu.inc).

Inleiding

Na het overlijden van treurspelacteur Andries Snoek in 1829 verzuchtte frans-classicist Abraham Barbaz dat de toneelspeler het honorair lidmaatschap van ‘eenige vaderlandsche kunst-genootschappen’ verdiend zou hebben. ‘Maar, Snoek was tooneelspeler! en wie onzer zogenaamde aanzienlijke lieden, had zich in éénen kring met zulk een’ man kunnen verbroederen? Wij leven niet in Engeland, of Frankrijk, alwaar de deuren van de eerste klasse der maatschappij voor eenen kunstenaar als SNOEK zouden geöpend zijn geweest. De engelsen eerbiedigen de voortreflijkheid der begaafdheden veel meer dan het onderscheid van stand; dit is veeläl bij ons juist omgekeerd.’[1]

Het standsverschil bleek evenwel geen belemmering voor het toetreden tot de Amsterdamse vrijmetselaarsloges. Bijna alle tonelisten van de speelrol van 1800 blijken ooit in hun leven ingewijd te zijn in tenminste één van de maçonnieke graden! Hoewel één van de uitgangspunten van de vrijmetselarij nu juist is dat binnen de Broederschap geen onderscheid wordt gemaakt in afkomst of religie, mag het bijzonder opmerkelijk genoemd worden dat de acteurs werden opgenomen in de elitaire kringen van de vrijmetselaarsloges.

Ik zal met dit onderzoek aantonen dat in de periode 1795-1844 een band bestond tussen de Amsterdamse tonelisten en de vrijmetselarij. Ten eerste blijkt dit uit de vele acterende leden die te vinden zijn in de ledenregisters van de loges. Dat de acteurs geïnspireerd werden door de maçonnieke gebruiken komt vervolgens tot uiting in de oprichting van het eigen besloten genootschap V.W., dat sterke overeenkomsten vertoonde met de vrijmetselarij. Ondanks de overstap bleef een bepaalde band met de reguliere vrijmetselarij bestaan; dit blijkt uit het feit dat een aantal acteurs, toen zij eenmaal volwassen en gerespecteerde burgers waren, terugkeerden in de loge. Ten slotte zal ik aandacht besteden aan de motieven die een rol gespeeld kunnen hebben bij het besluit om tot één van de broederschappen toe te treden. Alvorens de aandacht op de bijzondere band tussen de schouwburg en de loge te richten, zal ik in twee inleidende hoofdstukken die het toneelleven en de sociale positie van de tonelisten in deze periode behandelen de context in plaats en tijd duidelijk maken

Als ijkpunt voor de gevolgde acteurs is de speellijst van 1799 genomen, met daaraan toegevoegd enkele tonelisten die later aan het Amsterdamse toneel kwamen maar binnen de vrijmetselarij of V.W. een opvallende rol hebben gespeeld. Deze acteurs waren in dezelfde periode geengageerd bij de Amsterdamse Schouwburg en waren bijna allemaal even oud; men kan van een toneelgeneratie spreken. Die generatie is steeds ‘gevolgd’: het is dan ook geen volledig overzicht geworden. Er zijn wellicht meer voorbeelden te vinden van acteurs in de vrijmetselarij, maar diegenen die lang na 1800 aan het toneel kwamen zijn niet opgenomen. Als goed startpunt diende 1795 zich aan, het revolutionaire jaar waarin er ook voor de schouwburg veel veranderde. Als eindpunt is het sterftejaar van Coenraad van Hulst genomen, de acteur die in deze scriptie een van de hoofdrollen speelt en in mijn ogen exemplarisch is voor de emancipatie van de acteur in deze periode.

De beperkingen van dit onderzoek schuilen vooral in de benodigde bronnen: voornamelijk archiefstukken. Hierin bevinden zich nogal wat hiaten. Het merendeel van de notulen die door het schouwburgbestuur werden bijgehouden en meer informatie kunnen verschaffen over de tonelisten in deze periode, is verloren gegaan bij de schouwburgbrand van 1890. Er resten slechts fragmenten uit de jaren 1795-1797 en 1820-1822. Ook de logearchieven zijn veelal incompleet overgeleverd en ongeïnventariseerd, waardoor het niet voor alle jaren mogelijk is de ledenlijsten te reconstrueren. Getracht is de informatie aan te vullen met gegevens uit de ledentabellen die zich in het archief van de overkoepelende Orde van Vrijmetselaren bevinden. Het archief van de Hoge Graden, dat zich net als het Ordearchief en de afzonderlijke logearchieven in het Cultureel Maçonniek Centrum bevindt, blijft vooralsnog gesloten voor profanen. De vraag of er tonelisten waren die na de maçonnieke graden van leerling, gezel en meester ook dit traject doorliepen zal daarom onbeantwoord blijven.

Als laatste nog twee opmerkingen: de term ‘tonelisten’ wordt steeds gebruikt omdat het onderscheid tussen zangers, acteurs en dansers in de onderzoeksperiode niet scherp te trekken is. Ten slotte moet opgemerkt worden dat de vrouwelijke tonelisten in deze scriptie bijna volledig buiten beschouwing blijven; de vrijmetselarij en genootschappen waren nu eenmaal echte mannenwerelden.