Er bestond in de periode 1795-1844 een band tussen de Amsterdamse tonelisten en de vrijmetselarij: een groot deel van de acteurs was ingewijd in de maçonnieke geheimen. De aantrekkingskracht die de vrijmetselaarsloges uitoefende op de tonelisten is op verschillende manieren te verklaren.
Ten eerste hoopte men waarschijnlijk door middel van het logelidmaatschap het eigen aanzien te vergroten. Tonelisten stuitten nog altijd op vooroordelen jegens hun beroep: ‘comediant’ was niet alleen een betaalde baan maar tevens een veelgebruikt scheldwoord. Zij werden gezien als zedenloze dronkaards en zouden ergens onderaan de maatschappelijke ladder bungelen. Hoewel het stempel niet geheel terecht gebleken is – zij bevonden zich met hun inkomen en woonsituatie eerder in de middenklasse – voelden zij wellicht zelf de noodzaak dit imago op te vijzelen. Daarbij kon de vrijmetselaarsloge een netwerk bieden dat kon fungeren als een sociaal vangnet, dat zeer welkom was in een onzeker acteursbestaan.
Aangezien de tonelisten qua herkomst en religie een bijzonder heterogene groep vormden, hebben zij zich waarschijnlijk bijzonder thuis gevoeld in het gelijkheidsbeginsel en het kosmopolitisme van de broederschap. Daarbij spraken de vele theatrale ritualen, door vrijmetselaren omschreven als ‘ernstig spel’, ongetwijfeld tot de verbeelding bij de acteurs. Dat de jonge tonelisten al snel hun interesse verloren en de loge verlieten, zou behalve aan het feit dat zij moeite hadden met de hoge contributiegelden kunnen liggen aan de slechte omstandigheden waarin de Amsterdamse loges zich op dat moment bevonden en de daarmee verbonden terugloop van het ledental. Maar aangezien de tonelisten in de eerste jaren nooit bij bestuurlijke zaken werden betrokken in de loge lijkt het erop dat zij door hun mede-broeders niet helemaal als gelijkwaardig werden gezien.
Uit idealistisch oogpunt richtten zij het genootschap V.W. op. Waarschijnlijk werd de drang tot zelfontplooiing versterkt door de bataafse idealen en de discussies die werden gevoerd voor het oprichten van een toneelopleiding om de acteerkunst tot een hoger vlak te verheffen. Via de leden bestonden er duidelijke banden tussen de theaterwereld, V.W. en de vrijmetselaarsloges. De positie van de tonelisten was duidelijk veranderd sinds 1795; tien jaar later beschouwde een schouwburgcommissaris het als een eer om tot V.W. worden toegelaten. Ook wisten zij aanzienlijke honoraire leden (veelal vrijmetselaren) aan zich te binden.
Intussen groeiden tonelisten als Van Hulst, Kamphuizen en Westerman mede dankzij gewaardeerde nevenberoepen uit tot gerespecteerde burgers. Zij keerden terug in de vrijmetselarij en maakten daar snel carrière. Zonder de ervaringen bij V.W. in bestuur en organisatie hadden zij het wellicht niet zo ver geschopt. Daarbij hadden zij nu een uitgebreid netwerk van contacten, dat ook op zakelijk gebied groot voordeel kon brengen.
De leerschool in deugd en goede zeden, verzorgd door de vrijmetselarij én V.W., en de daarmee gepaard gaande ontwikkeling van een uitgebreid sociaal netwerk hebben m.i. bijgedragen tot de hogere status die de acteur in de negentiende eeuw verwierf.
