Error message

Notice: Undefined index: localized_options in menu_navigation_links() (line 1857 of /public/sites/www.paulinevandenheuvel.nl/includes/menu.inc).

6.1.2. zakelijke voordelen

Het ‘men zorge voor elkander’ kon niet alleen in maatschappelijk opzicht, maar ook puur financieel worden opgevat. Maar al te vaak werden de contacten binnen de broederschap gebruikt voor het slijten van eigen produkten of diensten. [414]

Jacob van Lennep was, zo blijkt uit zijn Vrijmetselaarstypen, niet te spreken over wat hij noemde het type van de ‘bedelende vrijmetselaar’.[415] Hij klaagt hoe men onder een genoeglijk samenzijn steeds weer een papier onder de neus kreeg geschoven. Naar de inhoud ervan hoefde men niet te raden: ‘het is een intekenlijst voor een concert of representatie, door Broeder A. of B. te geven, of voor een boekwerk of lithografie, die bij Broeder D. of C. zal uitkomen’. Deze initiatieven gingen doorgaans uit van ‘dezen of genen frère à talens’, die in de meeste gevallen hun geld verdienden als broodmuzikant en gedeeltelijk hun inkomen moesten halen uit het geven van concerten. Aangezien dit financieel een riskante onderneming kon zijn was het verstandig als de muzikale Broeder zich van tevoren verzekerde van intekenaren, om zo de kosten te kunnen dekken - ‘en tot wie zal ik my dan in de eerste plaats vervoegen, zoo niet tot de Broeders? gij stemt immers zelf toe, dat het hun verplicht is, de schoone kunsten voor te staan en hun medebroeders te ondersteunen?’ Van Lennep, zelf waarschijnlijk onbekend met het fenomeen geldgebrek, noemt het zwaaien met intekenlijsten ongepast. Het gebruik zou maar al te vaak ontaarden in ‘een gewone bedelpartij’.

Ook op een hoger niveau in de loge kon men financieel baat hebben bij het lidmaatschap. Coenraad van Hulst sleepte met zijn voorzitterschap van 1833 tot zijn ziekbed in 1840 ook de bijbehorende zakelijke voordeeltjes in de wacht. Gezien enkele van de bewaard gebleven rekeningen-courant van de loge was hij namens La Paix een goede afnemer van zijn eigen boekhandelsartikelen; in het werkjaar 1836-37 werd er een kwitantie uitgeschreven van 40 guldens en 95 stuivers aan ‘Mejufvrouw de Wed. L. van Hulst en zoon’, voor het drukken van de Huishoudelijke Wetten.[416] Ook in de kasboekjes worden grote bedragen genoteerd ten behoeve van Van Hulst, oplopend tot vijftig gulden; helaas zonder enige specificatie.[417] Overigens blijkt dit een goed gebruik geweest te zijn bij de vele boekhandelaren die aan de top hebben gestaan van één van de Amsterdamse loges. Jaren eerder was bijvoorbeeld de patriotse J.A. Crayenschot (La Paix) namens zijn loge de grootste afnemer van zijn eigen spullen. Willem Holtrop, die vóór zijn politiecarrière werkzaam was als boekhandelaar, stelde een gezangboek voor vrijmetselaren samen dat algemeen gebruikt werd. Marten Westerman ten slotte was de drukker en uitgever van Isis: Tijdschrift voor vrijmetselaren, dat binnen zijn kennissenkring genoeg lezers zal hebben gekend. Ook in V.W. vroeg Westerman regelmatig het woord om aandacht te vragen voor nieuwe werken die hij voornemens was te drukken. Vervolgens liet hij intekenlijsten met beloofde kortingen op de werken rondgaan. Diezelfde Westerman zorgde ervoor, toen hij vanaf 1841 deel uitmaakte van het zevenkoppige toneelbestuur, dat hijzelf en Coenraad van Hulst de vaste schouwburgdrukkers werden.[418]

Broeders onder elkaar, of het nu binnen de loge was of bij V.W., konden elkaar dus op sociaal en zakelijk gebied van groot nut zijn. Op verschillende manieren blijken de muzikanten en tonelisten van de Amsterdamse Schouwburg baat te hebben gehad van hun lidmaatschap van de vrijmetselarij.

Dat de band tussen de Amsterdamse Schouwburg en de vrijmetselaarsloges heel direct kon zijn, bleek op de avond van 22 januari 1835. Beide werelden, toneel en vrijmetselarij, kwamen hier fysiek bij elkaar: In de bak van de Amsterdamse Schouwburg bevond zich die avond een bont gezelschap van ruim dertig vrijmetselaren! Na de vermeende zelfmoord van Dirk Kamphuizen in 1829,[419] een dood die in de notulen van de loge onbesproken blijft, werd diens achtergebleven familie niet vermeden. Op 2 januari 1835 werd er bij La Paix een ‘tekenplank’ ter tafel gebracht die afkomstig was van de doortastende weduwe van Kamphuizen, de actrice Anna Maria Kamphuizen (geb. Snoek), die toen nog altijd aan het toneel was. De brief ging vergezeld van een intekenlijst voor het bijwonen van de te houden benefietvoorstelling op 22 januari, waarvan de opbrengsten haar ten behoeve kwamen. Toenmalig Voorzittend Meester Coenraad van Hulst twijfelde geen moment en machtigde de Broeder Thesaurier om een bedrag uit de Loge Cassa te halen en ‘voor zoo veel Lootjes in de bak te tekenen als het getal van Officieren en Leden zal bedragen’.[420] Zo kon het gebeuren dat de bak van de Amsterdamse Schouwburg gevuld was met maçons. Het hele tafereel herhaalt zich voor de benefietvoorstelling van een jaar later; dan zijn er 36 intekenaars.[421] Dirk Kamphuizen junior bedankte zijn Broeders hartelijk bij de volgende logebijeenkomst namens ‘Mevrouw zijnen Moeder’, ‘voor het belang dat de Loge La Paix wel heeft gelieven te stellen betrekkelijk het ten hare voordele gegeven benefit’.[422]

Ook nadat Coenraad van Hulst zelf was afgetreden als Voorzittend Meester werd hij niet vergeten; tijdens een visite in de loge vraagt hij het woord en dankt hij de broeders hartelijk voor de belangstelling die hem ten deel was gevallen bij zijn afscheidsvoorstelling van de Amsterdamse Schouwburg.[423] Van Hulst was bij zijn afscheid niet minder dan 42 jaar als acteur verbonden geweest aan de Amsterdamse Schouwburg. Daarbij was hij in zijn leven in totaal meer dan tien jaar vrijmetselaar geweest, waarvan ruim zeven jaar als Voorzittend Meester, en vanaf het jaar van de oprichting tot kort voor zijn dood in 1844 was hij betrokken bij V.W. Met al deze activiteiten is Coenraad van Hulst het sprekende voorbeeld van ‘Tonelisten en de Vrijmetselarij’. Zijn dood kan dan ook goed samenvallen met het einde van de onderzoeksperiode.