Error message

Notice: Undefined index: localized_options in menu_navigation_links() (line 1857 of /public/sites/www.paulinevandenheuvel.nl/includes/menu.inc).

6.1.1. sociale netwerken

Volgens Erenstein was het voor de tonelisten in de negentiende eeuw vanwege het harde werken en het vele reizen onmogelijk om veel contact met andere kunstenaars te hebben, en waren zij zo in een maatschappelijk isolement geraakt. Door een combinatie van dit isolement en de maatschappelijke weerstand tegen hun beroep zouden zij vanzelf een gesloten kaste hebben gevormd.[396] Van een maatschappelijk isolement is mij niets gebleken. Integendeel: als er iets duidelijk is geworden met betrekking tot de groep hier gevolgde toneelspelers, dan is het wel het bijna onontwarbare netwerk van contacten dat zij onderhielden, op sociaal én op zakelijk niveau. Door middel van lidmaatschappen van de vrijmetselaarsloges én de Maatschappij V.W. reikten deze contacten verder dan de Amsterdamse Schouwburg alleen.

De kern van deze sub-maatschappij bestond uit de schouwburgacteurs zelf, aangevuld met al dan niet aangetrouwde familieleden. De kring kan worden uitgebreid met mensen die in en om de schouwburg werkzaam waren: (toneel-)dichters, muzikanten, kunstschilders, decorateurs. Vervolgens werden er veel nieuwe contacten opgedaan binnen de vrijmetselaarsloges en V.W. In het meer of minder artistieke deel van Amsterdam tussen 1800 en 1830 scheen het alsof iedereen elkaar kende, familiebanden had of zaken deed. En, zoals dat in het grootste deel van de samenleving het geval was, oefenden de verschillende genootschappen ook op de tonelisten en kunstenaars een grote aantrekkingskracht uit. Bij alle genootschappen, of het nou om geleerde genootschappen, letterkundige genootschappen of vrijmetselaarsloges ging, waren de voornaamste drijfveren geboren uit idealisme. Maar behalve oefening, gezellig samenzijn en zedelijke verbetering van mens én samenleving waren er nog meer redenen om een plaats binnen de broederkringen van de vrijmetselaren of V.W. te ambiëren.

Jacob van Lennep beschreef in zijn rubriek ‘vrijmetselaarstypen’ in het Nederlandsch Jaarboekje voor Vrijmetselaren het soort dat tot de Orde van Vrijmetselaren toetrad in de hoop dat zij in sociaal aanzien zou stijgen, ‘omdat een zeker instinct hem heeft doen gevoelen, dat hij daar binnen zoude verkrijgen, wat voor hem in de burgerlijke maatschappij onbereikbaar was: invloed en een eereplaats’.[397] Of dit nu was wat de acteurs op het oog hadden toen zij naar de vrijmetselarij trokken, is niet te zeggen. Waarschijnlijk is wel het opbouwen of vergroten van een kennissenkring een belangrijke drijfveer geweest, en misschien zijn sommigen zelfs bewust met dat doel voor ogen toegetreden. Coenraad van Hulst was in 1799 debutant bij de Amsterdamse Schouwburg en liet zich nog in datzelfde jaar met enkele collega’s inwijden bij La Paix; Andries Snoek verhuisde vanuit Rotterdam direct naar een Amsterdamse loge.

Behalve om de eigen positie op sociaal vlak te verbeteren of om nieuwe contacten op te doen, waren er niet te onderschatten maatschappelijke voordelen aan een maçonnieke broederband – of in het geval van V.W., een fraterband – verbonden. De loge of Maatschappij V.W. kon in financieel onzekere tijden zelfs fungeren als sociaal vangnet. Binnen V.W. én vrijmetselarij bestond de morele plicht om overleden broeders te begraven, en hiervoor de kosten te dragen indien de familie hiertoe niet in staat was. Ook bij plotselinge armoedeval werd men geacht elkaar financieel te ondersteunen. Donaties en boetegelden voor te laat komen en dergelijke vloeiden direct in de aalmoezenierskas, van waaruit behoeftige Broeders, Oud-Broeders of achtergebleven familieleden een aandeel konden krijgen. Bij La Paix kreeg de oude Kapelmeester Jan Zeeburger, ‘die in zeer behoeftige omstandigheid zich bevind’ uit barmhartigheid een aalmoes van acht guldens.[398] Nog jaren na het overlijden van hun echtgenoten, beiden ooit vrijmetselaar en schouwburgmuzikant, ontvingen de weduwe Van Ollefen en de weduwe N. Malfeijt maandelijks een bedrag tussen de drie en zes gulden.[399]

Niet alleen kon het lidmaatschap van loge of genootschap als V.W. zo voor het individu prettige bijkomstigheden hebben, het was vanuit de broederschap ook vooral zo bedoeld om elkaar waar mogelijk de helpende hand te bieden. De aantrekkelijke combinatie van het idealistische bouwen aan een volmaakte wereld, de beleving van een broederband én eigenbelang wordt het duidelijkst geformuleerd in de grondwet die op 5 december 1815 binnen V.W. werd voorgelezen. Van de tien geboden klinken het derde, vierde en achtste: ‘Men deele in elkanders lot’, ‘Men kweeke deugd en goede zeden aan’ en: ‘Men bevoordeele elkander’! Dit laatste gebod werd door de Broeders niet vergeten. Hoe bijzonder nuttig de broederbanden konden zijn, komt bijvoorbeeld naar voren als La Paix een missive ontvangt van de commissaris van Politie, waarin werd verordonneerd dat alle vergaderende gezelschappen binnen de stad voortaan om elf uur moesten sluiten – maar dat ‘alleenig de Maconnique bijeenkomste van deze maatregel uitgesloten waren maar ter contraire alle aanmoediging verdienden, uit hoofde zy zonder rustverstoring alle heil aan het menschdom toebragte’.[400] Het kan geen toeval zijn dat Willem Holtrop de toenmalige commissaris van Politie was, en daarbij bijna vijfendertig jaar lang Voorzittend Meester van La Charité...[401] Overigens genereerde de broederband niet alleen rechten, maar ook plichten. Bij V.W. waren de leden zelfs verantwoordelijk voor elkaars aanwezigheid; als een frater een nieuw lid had voorgesteld en diegene kwam niet opdagen, dan kreeg de aanbrenger een boete.[402]

Ook direct buiten de ledenkring was er voordeel te halen. Het kwam regelmatig voor dat de leden van de loges en V.W. betaalde opdrachten doorspeelden aan vrienden en familieleden. Omgekeerd was de hulp van bekenden onontbeerlijk om de broederschappen draaiende te houden. In de praktijk waren het ook hier weer de tonelisten die contacten leverden voor praktische klussen binnen de vrijmetselaarsloges en V.W. Vanwege de aanhoudende geldzorgen van de loge deed de Voorzittend Meester van La Paix in het jaar 1800 een beroep op de Broeders. Aangezien er geen geld in kas was voor nieuwe meubels en decoraties, werd een gratis receptie beloofd aan ‘zoodanige Kunstenaars, als hun onder de bewerking mogten voorkomen, en die zij, begrijpen het zij tot vermeerdering der schoonheid, of Menagement der onkosten van dit Werk, hun nuttig te kunnen zijn’.[403] Stadsarchitect B.W.H. Ziesenis werd bereid gevonden tot het gratis ontwerpen van nieuw ‘Ameublement’.[404] Voor eerdere reparaties vroeg hij wel een bedrag van ruim f 25,-.[405] Hadden de tonelisten binnen La Paix hem geattendeerd op deze ‘vacature’? Ziesenis werd gerecipieerd op dezelfde avond waarop Jan van Well tot meester werd verheven.[406] Bovendien was hij getrouwd met de steractrice van het Amsterdamse toneel, Johanna Cornelia Wattier. Na het vervullen van zijn taak verloor hij overigens al snel zijn interesse; na 1801 komt zijn naam niet meer voor op de ledentabellen van La Paix.

Dirk Kamphuizen schakelde zijn broer Jan in: die schilderde en verguldde in 1800 enkele ‘meublementen’. Een jaar later ontving hij f 41,- voor het schilderen van een Chambre Obscur in het logement de Munt.[407] Het was vervolgens schouwburgdecorateur François Joseph Pfeiffer, wiens spectaculaire decorstukken tot aan de schouwburgbrand van 1890 gebruikt werden,[408] die overal opdook waar hij van dienst kon zijn. Op 4 maart 1808 werd hij gerecipieerd bij V.W., en hij was direct van nut toen er een lokaal gehuurd werd in de Franse Tuin in de Elandsstraat; daar zorgde ‘Peiffers’, gratis en wel, voor de ornamenten en decoraties.[409] Voor de laatste vergadering van het seizoen 1807-08, die feestelijk werd afgesloten met een souper en dansen na, was het weer Pfeiffers die ‘met zyn gewonen berijdwilligheid’ en uiteraard kosteloos, aanbood om ‘voor elke Dame die op het souper zal verschijnen, een Decoratie te vervaardigen’.[410] Op de eerste vergadering van het nieuwe seizoen werd hij nogmaals bedankt... ditmaal voor het belangeloos in orde brengen van de ‘Presidiale stoel’.[411] Het was ongetwijfeld deze zelfde F.J. Pfeiffer die de officiersfunctie van Bouwmeester innam bij La Charité van 1811 tot 1813, en ook bij de oprichting van de loge Willem Fredrik in 1814 werd er melding gemaakt van een zekere Pfeiffers, die als honorair lid geen contributie betaalt.[412]

Het laten opknappen van de maçonnieke tempelruimte door de officiële schouwburgdecorateurs lijkt wel een traditie te zijn; nog in 1838 haalt Coenraad van Hulst de toenmalige decorateur van de stadsschouwburg J.E. de Vries binnen voor het vervaardigen van schilderingen en decoraties.[413]

Het toetreden tot de sociale netwerken zoals die bestonden binnen bijvoorbeeld de vrijmetselarij of het genootschap V.W. was om verschillende redenen te ambiëren. Niet alleen kon men zijn kennissenkring vergroten en hopen op een verbetering van het eigen sociale aanzien door middel van het lidmaatschap, men was tevens verzekerd van een sociaal vangnet of financiële ondersteuning in slechtere tijden door de aalmoezenier. Daarbij konden de broederschappen betaald werk opleveren voor vaklieden in de directe omgeving van de tonelisten. Vervolgens zullen we zien dat ook individuen geldelijk konden profiteren van het opgebouwde netwerk binnen de vrijmetselarij of V.W.