Van de jaren tussen 1825 en 1829 zijn er helaas geen notulen van de logebijeenkomsten bewaard gebleven, zodat weinig bijzonderheden bekend zijn omtrent de maçonnieke activiteiten van Dirk Kamphuizen. Wel is duidelijk dat hij onder de broeders bijzonder gewaardeerd werd, gezien zijn snelle carrière binnen het bestuur van La Paix. Niet alleen werd hij in 1819 uitverkoren tot het bekleden van een officiersfunctie binnen de loge La Paix, ook hogerop was een rol voor hem weggelegd. In de jaren 1820, 1821 en 1826 zond de loge hem uit als afgevaardigde voor de jaarlijkse overkoepelende vergaderingen van het Nederlandse Groot-Oosten, waarbij ook Prins Frederik als Grootmeester-Nationaal aanwezig was.[383] Bij de vergadering van 1820 werd hij zelfs genomineerd voor een functie in het Hoofdbestuur als ‘Adjunct Groot Ceremoniemeester’.[384] Bijzonder detail is dat de gegadigden elkaar, weliswaar op een heel ander niveau, waarschijnlijk al eerder nauwlettend in de gaten hadden gehouden: de acteur Kamphuizen streed hier om de eervolle plaats met toneelcriticus C.F. Haug. Helaas visten beide toneelliefhebbers achter het net; de derde genomineerde ging er uiteindelijk met de post vandoor.
Sinds 1819 was Dirk Kamphuizen eerste Opziender van La Paix, en uit de ledentabellen blijkt dat hij deze officiersfunctie in het werkjaar 1824/25 nog steeds vervulde. In het jaar 1826/27 promoveerde hij zelfs tot Gesubstitueerd (plaatsvervangend) Meester![385] Kamphuizen bleef de kar trekken tot zijn dood in 1829.
Ook Coenraad van Hulst genoot een bliksemcarriere in de vrijmetselarij. Na de dood van Kamphuizen bekleedde hij jarenlang de hoogste positie binnen de loge La Paix. Voor het maçonnieke jaar 5833 werd hij door zijn Broeders vanuit het niets verkozen tot Gedeputeerd Meester – krap een half jaar nadat hij voor het eerst in dertig jaar aan de tempeldeur had geklopt.[386] In 1835 werd er een algemene vergadering bij hem thuis gehouden. Geen slechte uitwijkplaats; zijn woning bevond zich misschien wel pal naast het door de Amsterdamse loges gedeelde lokaal in het oude ‘Wapen van Embden’, op de hoek van de Nieuwendijk en de Gravenstraat. Die avond vond er zelfs een receptie plaats in huize Van Hulst.[387]
Vanwege langdurige ziekte moest hij in het jaar 1840 zijn post opgeven. Hij was blijkbaar zo ziek dat zijn vrouw Dorothea van Hulst (geb. Andriessen) namens hem moest bedanken, ‘daar zyn toestand nog geene inspanning, noch hoofdbreeken permitteert’.[388] In het antwoord namens de loge schonken de Broeders hem ‘als een erkentelyk bewys onzer oprechten hoogachting het Oud Meesterschap gedurende uw gansche Leven’.[389]
Er was nogal wat veranderd sinds Kamphuizen en Van Hulst in 1799 voor het eerst kennismaakten met de vrijmetselarij. Inmiddels waren zij geen beginnende comedianten meer, maar gerespecteerde burgers met verantwoording voor een gezin. Voor Van Hulst en Westerman gold dat zij zich in hogere culturele kringen begaven (Westerman via zijn oude Rotterdamse vrienden, kunstschilder Moritz en dichter Tollens; Van Hulst door zijn huwelijk met een telg uit de kunstenaarsfamilie Andriessen) en nog met een ander respectabel beroep (boekhandelaar) volop deelnamen aan de maatschappij. Dit zal ongetwijfeld bijgedragen hebben aan hun warme onthaal bij hun terugkeer in de loge.
Dat de tonelisten een serieuze band met de vrijmetselarij hadden blijkt wel uit het feit dat die, net als bij het toneel, soms werd ‘overgedragen’ op zonen. Of het nu vooropgezet plan was of niet, opvallend is dat de familie intussen flink gestegen was op de sociale ladder. Gerard Frederik Westerman, tevens boekverkoper, werd bij dezelfde loge als zijn vader gerecipieerd. Hij wordt ingewijd bij La Bien Aimée in 1837/38.[390] Hij was een zeer gerespecteerd burger, en één van de oprichters van het genootschap Natura Artis Magistra, waaruit een jaar later de bekende dierentuin ontstond.[391] Coenraad van Hulst had zelf geen zonen die in zijn voetsporen konden treden. Zijn dochter Cornelia Aletta, ‘Kelet’ genoemd, ging in 1818 een huwelijk aan met ‘medisch doctor’ Willem Baarslag, die een paar jaar daarvoor bij V.W. was voorgesteld en vervolgens bij La Paix als leerling vrijmetselaar werd ingewijd. Van Hulst was jarenlang Voorzittend Meester van La Paix, en zo ook zijn schoonzoon: die was Voorzittend Meester van La Bien Aimée van oktober 1841 tot zijn dood in januari 1865.[392] Ook de drie kleinzonen van Van Hulst, Coenraad (boekhandelaar), Willem (arts) en Jan Baarslag (boekverkoper/journalist) werden in de loge opgenomen.[393]
In vergelijking tot de eerste periode valt op dat de voordrachtskunst en dichtkunst binnen de loge een grotere rol in lijken te nemen. In 1805 zou op voorstaan van de toenmalige Voorzittend Meester van La Bien Aimée, De Melander, de typisch Nederlandse traditie van bouwstukken zijn ontstaan; was het vóór die tijd alleen de Voorzittend Meester of Orateur voorbehouden, nu mocht iedere Broeder een aanspraak geven over maçonnieke of maatschappelijke onderwerpen.[394] Blijkbaar hoefde de spreekbeurt niet altijd een informatieve strekking te hebben. Van Hulst en Westerman schromen geen van beiden om kort na hun wederinlijving het spreekgestoelte te beklimmen en in zelfvervaardigde dichtregels hun genoegen te uiten.[395] Op de planken van de Amsterdamse Schouwburg zullen zij hun schroom allang hebben overwonnen; maar alleen bij V.W., dat rond 1830 aanzienlijker leden kende dan in de beginperiode, hebben zij de verantwoordelijkheden van een commissietaak, bestuursfunctie of zelfs het presidentschap kunnen ervaren. Zonder de jarenlange oefening hierin bij V.W. zou Coenraad van Hulst het wellicht minder snel tot voorzittend meester van La Paix hebben geschopt.
