In de eerste periode leek vooral nieuwsgierigheid naar de vrijmetselarij de aantrekkingskracht te zijn geweest voor de jonge tonelisten; binnen een paar jaar hadden de meesten bedankt voor het logelidmaatschap. Voor een aantal van hen leefden vervolgens vooral de praktische gebruiken nog voort bij V.W. Voor een enkeling was dit niet genoeg – op volwassen leeftijd, volop deelnemend aan de maatschappij, keerden zij terug in de loge en maakten daar snel carriére.
Zo zal het althans gegaan zijn bij Dirk Kamphuizen. Hij lijkt in zijn jonge jaren in de eerste plaats nieuwsgierig te zijn geweest naar de mysterieuze inwijding van de vrijmetselaren. Na zijn receptie op 3 april 1799[360] bij La Paix werd er niets meer van hem vernomen – ook met V.W. had hij niets van doen – tot maar liefst negentien jaar later. Alsof hij er gisteren nog geweest was vervolgde hij zijn traject in de vrijmetselarij, en ontving hij op 10 april 1818 de compagnon- en meestersgraad.[361] Van zijn collega’s trof hij daar Andries Malfait, die net was verkozen tot á talent Kapelmeester, en even later diens zoon Nicolaas; ook muziekmeester van beroep.[362] Hoewel Kamphuizen die gehele herfst afwisselend met en zonder voorkennis afwezig was, werd hij voor het volgende werkjaar verkozen tot tweede opziener.[363]
Had ook Kamphuizen, net als Marten Westerman en Coenraad van Hulst, nog een tweede carriére naast zijn theaterbestaan, of voorzag hij voor dat jaar een zwaar beladen programma aan het Amsterdamse toneel? Aan het begin van het maçonnieke werkjaar 1823-1824 uitte hij zijn bedenkingen over het zich opnieuw als bestuurslid beschikbaar stellen; pas toen ‘de bezwaren met betrekking zijner bezighedens in de maatschaplijke zamenleving ter zijner genoegen opgelost waren’ aanvaardde hij zijn post.[364] Het jaar daarop schoof Kamphuizen door naar de officiersfunctie van eerste opziender.[365]
Op 29 september 1819 werd Kamphuizens zoon Dirk Jan voorgesteld.[366] Hij was op dat moment werkzaam als kantoorbediende, maar bleek ook niet wars van de populaire welsprekendheid of voordrachtskunst. Na een bezoek van de voorzittend meester van La Bien Aimée stortte Broeder D.J. Kamphuizen ‘in eene dichtmatige voordragt, zijn gevoel op eene hartgrondige wijze uit’[367], en dit zou vaker gebeuren. Kort hierna hield hij het voor gezien, maar kreeg blijkbaar spijt van zijn beslissing. Twee jaar na de dood van zijn vader verzocht hij opnieuw als lid te worden aangenomen.[368] In 1836 raakte hij verzeild in een ordinarie ruzie waarbij zijn doortastende moeder, de actrice Kamphuizen-Snoek, per brief tussenbeide moest komen.[369] Hoewel de aanklachten tegen hem na deze bemiddeling werden ingetrokken liet hij zich hierna niet meer in de loge zien.
Tegelijk met de voordracht van Kamphuizen junior was een verzoek binnengekomen van zijn aangetrouwde oom Coenraad van Hulst, die zich blijkbaar niet meer thuis voelde in de ‘geest van verslapping’ die bij V.W. heerste. Hij was toen al bijna drie decennia niet meer in de loge actief geweest. De loge La Paix was verguld met de hernieuwde belangstelling en plaatste beiden weer op de ledenlijst.[370] Coenraad van Hulst, en aanvankelijk ook Dirk Kamphuizen junior, genoten duidelijk een zeker aanzien in de Broederschap. De Voorzittend Meester haastte zich de twee te feliciteren, en wenste de Loge geluk ‘met het voordeel het geen dezelve zoo lang heeft moete missen, van wederom zoo een twee tal waardige mannen als Leden in hun midden te zien’.[371]
Marten Westerman, die aan de Rotterdamse schouwburg zijn naam als acteur had gevestigd en in 1808 definitief naar Amsterdam was teruggekeerd,[372] was er steeds wat later bij dan de overige hier gevolgde tonelisten. Voor hem was de eerste kennismaking met de vrijmetselarij pas op 9 maart 1814, toen hij zich liet inwijden bij La Bien Aimée.[373] Hij was toen 28 jaar oud en als ‘burgerlijk beroep’ wordt vermeld boekverkoper, geen acteur. Ongeveer in diezelfde periode, jaren nadat een aantal van zijn mede-tonelisten V.W. had opgericht, zal hij bij V.W. zijn binnengestapt. In 1811 was hij er nog niet bij, maar in elk geval was hij werkend lid bij aanvang van het seizoen 1815/16, binnen het departement taal- en dichtkunde;[374] vanaf 1822 ging zijn aandacht vooral uit naar het nieuwe departement Kunstmatige Voordracht.[375]
Westerman was duidelijk niet van het verlegen type. Nog maar net door La Bien Aimée waardig gekeurd, nam hij op de eerstvolgende logeavond na zijn receptie de taak van redenaar op zich, en vergastte hij de Broederschaar op een ‘allezints en toepasselijk dichtstuk’.[376] Hij zou vanaf deze plaats vaker zelfvervaardigde gedichten voordragen. Vanaf het seizoen 1816/17 mocht Westerman zich officieel Orateur noemen, en was hij hiermee de eerste schouwburgacteur die in één van de Amsterdamse loges een officiersfunctie bekleedde.[377] Hij bleef in functie tot het werkjaar 1842/43, het jaar waarin hij voor het lidmaatschap bedankte; de laatste jaren (vanaf 1833) werd hem het honorair lidmaatschap geschonken, en betaalde hij geen contributie meer.
Binnen de loge La Bien Aimée waren nog een aantal oude bekenden van Westerman actief: acteur Theodorus Majofski was al die jaren, sinds 1803, Kapelmeester gebleven; van 1817 tot 1820 wordt hij in de ledentabellen deftig aangeduid met ‘Directeur der (Hollandsche) Schouwburg’. Majofski bleef vrijmetselaar tot zijn overlijden ‘in het harnas’, na een beroerte die hem trof op het podium van de Amsterdamse Schouwburg in 1836.[378] Westerman deelde zijn orateurschap vanaf 1829 een aantal jaar met medisch doctor Willem Baarslag, die met de enige dochter van Coenraad van Hulst was getrouwd. Als zij elkaar niet eerder via Van Hulst hadden leren kennen, hadden zij ongetwijfeld kennisgemaakt binnen de gelederen van V.W.; ook daar was Baarslag immers actief.[379]
Ten slotte waren ook de schouwburgacteurs Gerrit Carel Rombach en Hendrik Krayestein (beiden bij V.W.) Broeder vrijmetselaar, hoewel zij als à talents geen contributie betaalden.[380] Zij waren de enige tonelisten in het meer elitaire La Charité, waarin ook invloedrijke figuren (en buitengewoon honoraire leden van V.W.) als Kinker, Helmers, Van Hall en Van de Vijver te vinden waren. Rombach werd als Broeder van Talent ingewijd in het seizoen 1807/08, om direct te worden aangesteld als Kapelmeester. Tussen 1 april 1833 en 1 april 1834 moet hij zijn lidmaatschap hebben opgezegd of zijn overleden; in de ledentabellen van het werkjaar 1834/1835 komt zijn naam niet meer voor. Rombach deelde zijn honorair Kapelmeesterschap een aantal jaar met Krayestein; die werd in 1809/1810 als passant gerecipieerd, en was vanaf 1811/12 tot het werkjaar 1815/16 Kapelmeester. De status van Rombach verschilde om onduidelijke redenen van die van zijn collega: ‘toneelkonstenaar’ Rombach was Kapelmeester en honorair lid, Krayestein daarentegen Kapelmeester en lid van verdienste. Wellicht omdat de functie van Kapelmeester, waarbij een gratis lidmaatschap hoorde, een aparte plaats innam binnen de loge is in de archieven verder niets over hun vrijmetselaarsactiviteiten te vinden.
Bij de loge Concordia Vincit Animos was geen spoor te vinden van tonelisten, of bekenden uit V.W.; slechts tweemaal worden namen genoemd van Kapelmeesters die tevens in het schouwburgorkest speelden.[381] In Willem Fredrik was de voertaal Frans, en leken de Broeders van een ander, in elk geval fransgezinder, slag. Naast de bekende Jacob van Lennep en P.G. Witsen Geysbeek (samensteller van het tijdschrift de Toneelmatige Roskam) werd de tempel vooral bevolkt door kooplieden, commissionairs, advocaten, rechters, procureurs en professoren in de rechten.[382]
Ook in deze periode waren de schouwburgacteurs die ‘vol’ lid waren, dus géén Broeder van Talent, betrokken bij La Paix en La Bien Aimée. Het gaat hier om Dirk Kamphuizen, Coenraad van Hulst en Marten Westerman.
