Uit het voorgaande blijkt de band die er via de leden tussen de Maatschapppij V.W. en de vrijmetselarij bestond. De meeste schouwburgacteurs hadden de vrijmetselaarsloges echter al de rug toegekeerd, toen zij zich binnen V.W. op één van de vele activiteiten stortten. Dit zal niet toevallig geweest zijn. Wilden zij zich meer op de beoefening van de schone kunsten richten, en misten zij dit in de vrijmetselarij? Werden zij niet voor vol aangezien in de loge en was dit reden om voor zichzelf te beginnen? Of zouden er andere motieven zijn geweest die de doorslag gaven voor de overstap? De volgende redenen kunnen een rol gespeeld hebben bij het besluit tot het oprichten van een eigen genootschap.
De enorme geestdrift waarmee de acteurs zich op de organisatie van V.W. stortten, toont aan dat zij de kans om invloed uit te oefenen eerder in de vrijmetselaarsloges niet gekregen hadden. Behalve de Kapelmeesters is in de logearchieven van La Paix en La Bien Aimée geen enkel voorbeeld opgedoken van acteurs die betrokken waren bij bestuurszaken en aparte commissies, of ook maar eigen voorstellen inbrachten. Daarentegen leek zowel in de eerste jaren na de oprichting van V.W als gedurende de bloeitijd waarin de teller de honderd leden al lang en breed was gepasseerd alles te draaien om dezelfde drijvende krachten: voornamelijk de acteurs Casper Vreedenberg, Jan van Well, Coenraad van Hulst, Jan Baptist Neits en later Johannes Jelgerhuis. Het waren steeds weer deze leden die in het bestuur rouleerden, zitting namen in commissies, spreekbeurten aanvroegen en reageerden op prijsvragen. De enorme ijver waarmee dit gepaard ging – uit de notulen blijkt dat zij elke week aanwezig waren, en dat jaren achtereen – doet vermoeden dat zij in de vrijmetselaarsloges waarschijnlijk graag wilden, maar niet durfden; of de kans niet kregen.
Het zou ook kunnen dat zij hun draai niet gevonden hadden en vertrokken omdat zij zich meer wilden richten op praktische (kunst)beoefening dan op de innerlijke reizen bij de vrijmetselarij. Misschien waren zij wel in het geheel niet gecharmeerd van de abstracte symboliek en ritualen die bedoeld waren om dichter tot de hogere beginsels te komen. Het waren immers voor het grootste deel de organisatorische kanten en de uiterlijkheden van de maçonnieke gebruiken die werden gekopieerd. Grappig is het om te zien hoe het symbolisch gebruikte begrip van de maçonnieke arbeid door de fraters van V.W. letterlijk wordt genomen. Van der Swan geeft in de eerder aangehaalde feestrede uit 1831 aan dat de zilveren en gouden eretekenen in het leven waren geroepen om de fraters tot arbeid aan te sporen, omdat anders ‘loom- en traagheid den daartoe geneigde tot eene vadzige werkeloosheid zoude genoopt hebben’.[349] Ook in een ongedateerd gelegenheidslied wordt het ‘arbeiden’ in de departementen verheerlijkt, ‘daar men de ledigheid verächt’.[350] Men is blijkbaar een goed frater, als men zich zo nuttig mogelijk maakt: binnen de besloten kring van V.W. wordt aan zichzelf gewerkt en daarmee aan een betere wereld, maar dan wel door middel van zoveel mogelijk ambacht en produktiviteit in plaats van maçonnieke reflectie. In dit licht bezien, zouden de eerder genoemde proeven ‘de deken en de trap’ en ‘het licht en het glas wijn’ inderdaad wel eens schertsend bedoeld geweest kunnen zijn wat betreft de ritualen in de vrijmetselarij.
Er is nog een andere, wellicht meer voor de hand liggende reden te bedenken voor de oprichting van een eigen gezelschap met maçonnieke trekken. Vooral de loge La Paix verkeerde niet in gunstige omstandigheden en verloor in de jaren rond 1800 veel van haar leden. Daarbij zal de hoge contributie ook geen onbelangrijke rol gespeeld hebben in het geheel; het zou best eens geldgebrek kunnen zijn geweest dat een aantal acteurs van de vrijmetselarij naar V.W. heeft geleid. De wekelijkse contributie voor V.W. bedroeg in 1807 twee stuivers, en de entree (receptiegeld) 11 stuivers.[351] In het seizoen 1810-1811 was dit al gestegen naar f 8,- per seizoen aan contributie en f 5,- voor de entree,[352] maar nog altijd was dit een schijntje vergeleken met de enorme bedragen die voor het logelidmaatschap moesten worden betaald.[353]
Een vierde motivatie voor het oprichten van een eigen genootschap zal het willen navolgen van de hogere klasse geweest zijn, om aan te klampen bij de werkzaamheden van hoog aangeschreven genootschappen als de Maatschappij van fraaije kunsten en wetenschappen en Felix Meritis, waar bij het gros van de acteurs het opleidingsniveau en sociale afkomst toch echt te licht bevonden zullen zijn. Het mooie pand van Felix Meritis hebben een aantal acteurs (Majofski, Van Hulst, Neits) wel van binnen gezien – niet als participerend lid, maar voor het geven van concerten.[354] Hier hadden zij wat de genootschappelijke werkzaamheden betreft als toeschouwers aan de zijlijn gestaan; nu was de tijd aangebroken om het zelf gaan doen. De Bataafse idealen van opvoeding en zelfontwikkeling kunnen hierbij een sturende rol gespeeld hebben. Jelgerhuis baseerde in 1815 de nieuw samengestelde grondwet van V.W. op de Bill of Rights: ‘De vorm moet zijn, die der verklaarde rechten der menschen anno 1789 en door onze natie in 1795 overgenomen, zonder in ’t staatkundige te treden en alleen op ’t edele, zedelijke gevoel daarin vervat en op de broederschappelijke eensgezindheid hier èn in de Maatschappij gericht’.[355] In de broederkring moest vervolgens de nadruk liggen op het aankweken van ‘deugd en goede zeden’. In deze zelfde tijd werd in de vrijmetselarij, bij een toespraak van De Mist, maar ook in het theater, door secretaris Haverkorn, geroepen om vernieuwing door de betreffende instanties om te vormen naar een (stille) ‘leerschool van deugd en goede zeden’.[356] Haverkorn bepleitte dat het niveau van de schouwburg moest worden opgetild tot ‘deszelfs waare doeleinde, naamlyk tot een nuttig leerschool van deugd en goede zeden’.[357] Wat V.W. betreft dwongen de acteurs dus hun eigen leerschool af. Het middel voor de opvoeding tot ontwikkelde en deugdzame mannen was hier de kunstbeoefening; de fraters konden zich onder het toeziend oog van professionals oefenen in de schone kunsten, terwijl sommigen hier zonder de leerschool V.W. misschien nooit in aanraking mee waren gekomen. Wel moet hier de kanttekening worden gemaakt dat alle zelfbeschavende idealen op papier hoogstaander bleken dan in de praktijk; al kort na de oprichting kwam het voor dat er geen medailles konden worden uitgereikt om de eenvoudige reden dat er geen enkele inzending was binnengekomen.[358]
Het genootschappelijke aspect, het streven naar zelfontplooiing op een manier zoals zij dat zagen bij hogere maatschappelijke groepen, is mijns inziens van groot belang geweest voor de Amsterdamse tonelisten. Zij speelden, musiceerden en zongen immers op de schouwburg en op andere plaatsen voor geld, en hadden hier hun tijd ook goed voor kunnen gebruiken. Het is opvallend dat zij zich met de oprichting van V.W. juist naar binnen keerden. Het oefenen in de kunsten en in de hogere sociale omgangsvormen lijken zo in eerste instantie belangrijker factoren te zijn geweest dan het verdienen van geld.
Dat er in deze jaren vele overlappingen en contacten bestonden tussen V.W., de theaterwereld en vrijmetselaarsloges blijkt uit het volgende. Pieter Snoek was in 1825 al jaren geen lid meer van La Paix, maar stond nog steeds als ‘kind’ op een ledenlijst vermeld. De naam van Casper Vreedenberg is vooralsnog nergens opgedoken in stukken betreffende de vrijmetselarij, maar binnen de loge La Paix was hij geen onbekende. Als adres van Pieter Snoek werd genoemd ‘Leidsche plein naast C. Vreedenburgh’: blijkbaar wist dan iedereen precies waar hij moest zijn.[359]
Met de soms maçonniek gekleurde activiteiten binnen V.W. blijkt dat de vrijmetselarij wel degelijk invloed heeft uitgeoefend op de jonge tonelisten. Hoewel V.W. nooit door de reguliere vrijmetselarij zou worden erkend, leken de acteurs via het eigen genootschap indirect banden te behouden met de vrijmetselarij. Dat er ook een directe band bleef bestaan, blijkt uit het feit dat er acteurs waren die op latere leeftijd terugkeerden naar de loges.
