Als eerste overeenkomst met de vrijmetselarij springt in het oog dat de leden van V.W. elkaar aanspraken met ‘frater’, wat direct lijkt afgeleid van de maçonnieke aanspreekvorm ‘Broeder’.
Daarbij profileerde V.W. zich, net als de vrijmetselarij, als een gesloten broederschap. Het ‘geheim’ van de letters V.W. werd goed bewaakt. Net als bij de vrijmetselaarstempel stond er een wachter of pedel voor de deur, die personen pas doorliet als zij het juiste wachtwoord konden noemen. Dit Woord bestond uit de letters van het motto, met uitzondering van de letters ‘v’ en ‘w’.[265] Bij de aanvang van het nieuwe seizoen 1808 werd het motto ‘Verlichting kroont hier Werkzaamheid’ vervangen door ‘Vriendschap geleidt onze Werkzaamheid’, ‘waar door de tusschen Letteren K.H. nu in G.O. veranderen’.[266] De letters werden tevens ceremonieel vereeuwigd in de stoel van de voorzitter: diezelfde avond werd een frater opgedragen ‘om de geheimen letters, in de stoel te veranderen, en de nieuwe Letters daar voor in de plaats te zetten’. Het uitspreken van deze tussenletters had binnen de Maatschappij dezelfde kracht als een ‘in de zamenleving’ afgelegde eed.[267] De fraters die het geheim vergeten of in de openbaarheid brengen, zo werd gedreigd, zullen zich ‘aan de zwaarste Correctie’ blootstellen.[268]
Behalve het geheime karakter valt op dat de organisatiestructuur van V.W. vrijwel identiek is aan die van de vrijmetselaarsloges. Jaarlijks wordt uit de leden een bestuur gekozen, met als te vervullen functies: President, Vice-president, Secretaris, Grootthesaurier en Orateur. Tot zover gaat het niet veel anders dan bij een willekeurig genootschap uit die tijd. Andere elementen uit de eerste wetten wijzen wél duidelijk naar een interne bekendheid met de vrijmetselarij. Om op bestuurlijk gebied te blijven: de vergaderingen worden comparities genoemd, net als de huishoudelijke bijeenkomsten in de loges. De President (in de vrijmetselarij Voorzittend Meester genoemd) kiest twee ‘kwade mannen’, later ‘handhavers der wet’ genoemd (in loge: eerste en tweede Opzieners), stelt Fiscaals aan die boetes vorderen, een Orateur die voordrachten moest geven en een Meubelmeester voor de materiele zaken (ook dit waren functies binnen de vrijmetselaarsloge). Daarbij was er een belangrijke rol weggelegd voor liefdadigheid, en was er een orkest (‘muzikalisch lichaam’) met aan het hoofd daarvan een Kapelmeester. Het enige dat duidelijk afwijkt van de bestuursstructuur zoals die bestond bij de Amsterdamse vrijmetselaarsloges was dat binnen V.W. het presidentschap aanvankelijk elke maand, en later per twee maanden rouleerde. Na afloop van die termijn moest men drie maanden wachten alvorens zich weer verkiesbaar te stellen.[269] In de vrijmetselarij daarentegen waren voorzitterschappen van twintig jaar of langer geen uitzondering.[270]
Tafelloges werden er bij V.W. niet consequent gehouden, maar wel werd er jaarlijks een feestelijke algemene vergadering bijeengeroepen om het seizoen af te sluiten. Hierbij waren ook de dames welkom, en er kon na afloop zelfs gedanst worden.[271]
Net als in de vrijmetselarij kon een belangstellende niet zomaar bij V.W. aankloppen. Een kandidaat moest worden voorgedragen door één van de fraters. Vervolgens werd er een zedelijk onderzoek naar hem ingesteld, en tenslotte werd er over zijn toelating gestemd. Al snel werd er bij V.W. onderscheid gemaakt tussen werkende leden, die een contributie- en opkomstplicht hadden maar tevens het stemrecht bezaten, en honoraire leden die hiervan vrijgesteld waren. Dit alles gebeurde op dezelfde manier als in de vrijmetselarij.
Na goedgekeurd te zijn werd de kandidaat naar een belendend vertrek gebracht, waar hij onderworpen werd aan een aantal ‘proeven’ die bewijs moesten leveren voor zijn ‘bekwaamheid, goede gezindheid en vastheid van karakter’.[272] Dit doet wel erg sterk denken aan de chambre obscur in de vrijmetselarij, waar de kandidaat voor bepaalde tijd alleen werd gelaten om een aantal vragen te beantwoorden en daar later aan de tand werd gevoeld over zijn motieven tot toetreding. Zelfs de gebruikte terminologie is veelal identiek: een nieuw lid wordt niet gewoon ontvangen of ingeschreven, maar gerecipieerd.
Er zijn bij V.W. geen graden zoals men die in de vrijmetselarij kent, waarbij men ‘opklimt’ van leerling naar gezel (compagnon) en uiteindelijk de meestergraad. Toch is dit model ook in de gebruiken van V.W. te herkennen, zij het aangepast aan het eigen ingewikkelde systeem van prijzen en eremetalen. Bij V.W. was men dan wel allen frater (Broeder), maar net als in de loge bestond er een hiërarchie onder de leden. Men kon het bij de verschillende prijsvragen tegen elkaar opnemen, waarbij ter aansporing gouden of zilveren medailles in het vooruitzicht werden gesteld. Het was verplicht om de behaalde eretekenen op de bijeenkomsten van de Maatschappij voor iedereen zichtbaar te dragen. Was men actief lid, dan werd men uiteindelijk onderverdeeld in drie categorieen (graden?): had men een derde zilveren ereteken uitgereikt gekregen, dan werd men ‘verdienstelijken frater’; de volgende treden waren ‘waardigen frater’ en uiteindelijk ‘frater directeur’.[273]
Men droeg onder elkaar geen schootsvellen of handschoenen – althans, dit wordt nergens vermeld – maar wel ontwierp de ‘Commissie van toevoorzigt’ voor de fraters zogenoemde ‘ordebanden’, van zwart fluweel met goud.[274] De bestuursleden van V.W. droegen halskettingen voorzien van schilden; op enkele daarvan zijn de maçonnieke passer en winkelhaak te herkennen. Ook in een paar schetsen en prijstekeningen voor vignetten in het archief van V.W.[275] zijn behalve emblemen die de schone kunsten voorstellen ook een passer en/of winkelhaak verwerkt; dit al lang vóór het oprichten van het departement wis- en natuurkunde.
Dan was er nog de plicht om fraters te begraven, net als in de vrijmetselarij. Jan van Well, jong gestorven op 5 juni 1818, werd door V.W. begraven ‘met Pauken en Trompetten’.[276] Frater directeur en toenmalig president Jelgerhuis verzorgde die dag de lijkrede.[277] Coenraad van Hulst werd op 17 juni 1844 begraven in de Noorderkerk. De fraters van V.W. werden gewezen op hun ‘zedelijke verplichting’ en werden geacht ‘op dien dag, des voormiddags, vóór half twaalf ure, te vervoegen, aan het sterfhuis, (aan de Nieuwendijk, op de hoek van de Gravenstraat) in het zwart, met ronden hoed, zwarte handschoenen, en eenen rouwstrik om den linkerarm’.[278]
Zelfs bestond er bij V.W. een eigen genootschappelijk netwerkje, al overschreed dit geen landsgrenzen als bij de vrijmetselaren. In de bewaard gebleven ‘Lijst van boekwerken’ staan veel gelegenheidsdichten, almanakken, uitnodigingen en dergelijke die toegestuurd werden door allerhande gezelschapjes uit andere steden.[279]
V.W. vertoont dus sterke overeenkomsten met de vrijmetselaarsloges op organisatorisch vlak, maar ook zijn er aanwijzingen dat er maçonnieke rituele inwijdingen en symbolen werden nagebootst. Kandidaat-V.W.’ers moesten een proef ondergaan die omschreven werd als ‘de deken en de trap’,[280] waarbij het wel voor altijd duister zal blijven wát zich precies afspeelde rond deze attributen en wat zij betekenden. De genoemde deken en trap zijn op geen enkele manier te verbinden aan ritualen in de vrijmetselarij! Na de belofte van geheimhouding was het tijd voor ‘het glas wijn en het licht’,[281] dat in dit kader even raadselachtig blijft. Er werd dan in de vrijmetselarij wel stevig ingenomen bij de tafelloges (men rekende bij La Paix rond 1800 zo’n anderhalve fles wijn per souperende Broeder),[282] voor zover mij bekend speelde wijn geen rol bij de ritualen en is ook dit één van de toevoegingen van V.W. Als verder de toon niet zo ernstig was geweest, zou men zelfs geneigd zijn te denken aan een scherts of persiflage van de vrijmetselaarsritualen. Helemaal uit te sluiten valt dit niet.
Geheel eigen aan de vrijmetselarij is de bouwsymboliek. Er wordt in de loge ‘gearbeid’ aan de ruwe steen (zichzelf), om deel uit te maken van de Tempel van Salomo (de volmaakte wereld); toezichthouder van dit alles is de ‘Opperbouwmeester des Heelals’ (God; officieel niet per definitie de Christelijke). Hoewel er verder geen voorbeelden van ritualen zijn te vinden in de archieven van V.W., zijn er regelmatig aanwijzingen die duiden op op zijn minst enige bekendheid met deze maçonnieke symbolen. Zo vangt de feestrede van 29 september 1831 aan ‘onder vurige dankbetuigingen aan den Opperheer van alles, wiens wil het is, dat al het geschapene voortga in kennis en deugd’.[283] Het tempeltje van palmhout dat in een inventaris[284] wordt genoemd, doet in eerste instantie sterk denken aan de maçonnieke Tempel van Salomo. Via de notulen komen we achter de ware aard van dit tempeltje, dat door de maker Beynink (geen vrijmetselaar) op werd gedragen aan de Eendracht, Orde en Broedermin. Het werd op de tafel voor de President geplaatst, en kreeg zo een centrale plaats in de vergaderingen.[285] In het tempeltje zou dan wel weer wierook worden verbrand ter ere van het Opperwezen.[286]
Verder staat er niets in de goedereninventaris genoteerd dat op maçonniek geïnspireerde attributen wijst. Wél komen we weer bij de vrijmetselarij terecht in de lijsten van muziekstukken: naast eigen werk van leden en stukken van internationaal beroemde componisten als Rossini, Beethoven en Bellini vinden we onder meer Mozarts ‘duet uit de Toverfluit’, de ‘marsch uit de Toverfluit’, ‘Maurergesang’, ‘Maurerfreude’ en een koor met Bas Solo ‘O Isis und Osiris’.[287] Met Jan Baptist Neits en Theodorus Majofski binnen de gelederen, de twee hoofdrolspelers van Mozarts/Schikaneders ‘Tooverfluit’ zoals die in de Amsterdamse Schouwburg werd opgevoerd, zal dit ongetwijfeld wel eens door het vergaderzaaltje van V.W. gegalmd hebben.
En er is meer. Tekenaar Christiaan Andriessen, Buitengewoon Honorair lid van V.W.,[288] gebruikte in de onderschriften bij zijn tekeningen[289] soms een geheimschrift met vierkante vormen, dat gelijksoortig is aan het kwadraatschrift of ‘Noachitisch geheimschrift’ dat in het curieuze ‘Charter van Keulen’ (een negentiende-eeuwse vervalste oorkonde die ingezet werd om de ancienniteit van de vrijmetselarij te bewijzen, aangewend in de strijd tegen de Hoge Graden) werd gebruikt.[290] Nu is geen spoor van Andriessen aangetroffen in de ledenlijsten en tabellen van de Amsterdamse vrijmetselaarsloges – maar het is goed mogelijk dat hij het maçonnieke geheimschrift kende via zijn vriend en zwager Coenraad van Hulst.
Johannes Kinker, tot aan zijn dood in 1845 beoordelaar van binnen V.W. vervaardigde prijsdichten en lid van de loge La Charité, schreef brieven aan mede-buitengewoon honorair lid van V.W. Jacobus Koning waarin hij het schriftelijk herkenningsteken gebruikte voor ‘vrijmetselaren onder elkaar’: In zijn handtekening onder de brief prijken de drie maçonnieke troffelpunten [∴].[291] Op zich zegt dit onderonsje tussen Kinker en Koning nog niets over de maçonnieke belangstelling van de ‘werkende’ fraters. Toch is overtuigend bewijs voor meer algehele bekendheid met de vrijmetselarij te vinden in één van de Jaarboekjes van V.W.[292], in een stukje getiteld ‘Het hoe vaart gij? bij onderscheidene volken’. Kinker verhaalt hierin over de verschillende begroetingsvormen bij onder andere de Engelsen en Fransen, met ten slotte: Het ‘Hoe laat is het bij ONS?’, gebezigd bij ‘de leden eener broederschap, waarvan ik mij den naam niet meer herinner!’. Dit is overduidelijk een knipoog naar één van de ritualen binnen de vrijmetselarij, waarin deze vraag gesteld wordt. Het Jaarboekje was alleen bestemd voor de leden van V.W., en als Kinker ervan uitging dat zij de kwinkslag zouden begrijpen, ligt het voor de hand dat de meerderheid goed op de hoogte was van de binnen de vrijmetselarij gebruikelijke symboliek.
Ondanks de aanvankelijke vasthoudendheid met betrekking tot de maçonnieke terminologie veranderde al in de loop van het jaar 1808 het ‘recipieren’ in het neutralere ‘introduceren’. Vooral in de beginjaren werd blijkens de notulen de term ‘receptie’ gebruikt; er wordt de eerste maanden zelfs gesproken van ‘orde’ leden die de belofte afleggen of trouw beloven aan de Wetten.[293] Het gaat hier dan onder anderen over Andries Malfait en Coenraad van Hulst, die een aantal jaren daarvoor waren toegetreden tot de Orde van Vrijmetselaren. Worden met ‘ordeleden’ vrijmetselaren bedoeld? Van Hulst had al in 1802 bedankt voor zijn lidmaastschap bij La Paix.
Het lijken zo vooral de oprichters en de oudste leden van V.W. te zijn geweest die zich door de maçonnerie hebben laten inspireren. Met de snelle groei van V.W., het geruzie over modernisering van de organisatie en het vertrek van nestor Vreedenberg in 1826 verdwenen ook langzaam de verwijzingen naar de vrijmetselarij. Alle ceremoniën en rituelen werden in de loop der jaren sterk vereenvoudigd en herzien.[294] De geheimhouding zou moeten verdwijnen met de uitgave van het Jaarboekje, vanaf 1818; dit zou niet alleen het gemak van de leden dienen, maar tevens bedoeld zijn ‘om anderen met den gang en de verrigtingen van onzen Broederkring eenig zins bekend te maken’.[295] Desondanks bleef men blijkbaar altijd met een zijden draad aan de vrijmetselarij verbonden: In 1893 deed de afdeling in Middelburg zelfs een voorstel tot aansluiting bij de vrijmetselarij! Het voorstel werd verworpen vanwege de grote verschillen in doel en werkkring tussen de twee organisaties.[296]
In de bibliotheek van het Gemeentearchief van Amsterdam is nog een brief bewaard van Sophie Duparc, schrijfster van een uitvoerig artikel over V.W. in het Jaarboek Amstelodamum, gedateerd 16 april 1915. Zij vraagt dhr. J. Kepper – wiens vader bestuurslid was geweest van V.W. en één van de drie oprichters van het tijdschrift ‘de Navorscher’ – of hij meer informatie had over de betekenis van de letters V.W. Kepper antwoordde dat voor zover hij wist deze betekenis alleen bij de leden bekend was, maar hij meende wel te weten ‘dat V.W. een appendix van de Vrijmetselaarsloge was’.[297]
