In 1806 hadden de meeste schouwburgacteurs de vrijmetselarij alweer lang en breed verlaten, maar buiten het werk om zag een deel van hen elkaar nog regelmatig – al was het alleen maar bij familieaangelegenheden. In tijden dat zij niet op de planken stonden of elders werkzaamheden verrichtten zouden zij elkaar getroffen kunnen hebben in de zomer-societeit ‘Belle-vue’ bij de Leidse Poort, die comediant en duizendpoot Casper Vreedenberg had opgericht om zijn toneelsalaris aan te vullen.[223]
De activiteiten binnen dit ‘Collegie of Societeit’, waar men in tegenstelling tot de vrijmetselaarsloge slechts een ‘geringe contributie’ verschuldigd was en ‘geene boeten voor non-comparitien’, klinken bepaald niet hoogstaand. Vreedenberg licht in zijn mémoires een tipje van de sluier op en noemt onder meer de gezellige ‘verrassende onzigtbare Tooneelvoorstellingen achter een doek’, het ‘blindelings schuitje-varen’, en zelfs ‘verlotingen [...] van varkens, en daaruit voortspruitende dinés in belagchelijke costumes’. De leden zouden zich voornamelijk beperken tot diegenen die in de nabijheid van de societeit woonden; alleen bij concerten, belangeloos gegeven door bevriende muzikanten, was het huis te klein voor ‘al de opkomende Leden en Dames’.[224] Ongetwijfeld bestond een deel van Vreedenbergs klandizie uit schouwburgacteurs en –muzikanten.
Het bovengenoemd spektakel en onschuldig vermaak doen anders vermoeden, maar het zouden best eens deze zelfde drinkebroers geweest kunnen zijn waaronder enige culturele ambitie was gaan broeien. Het was namelijk diezelfde Vreedenberg die, in navolging van de hogere klasse met haar ongebreidelde genootschapszucht, het initiatief nam tot het zélf oprichten van zo’n uiterst modieuze kring – met als doel ‘de deugd te beoefenen, menschlievendheid aan te kweeken en kunsten en wetenschappen te bevorderen’.[225] De animo bleek groot genoeg: Op 29 september 1806 werd het ‘Kunstkweekend Collegie onder de zinspreuk V.W.’[226] (al snel afgekort tot Maatschappij V.W.) toegevoegd aan de rij van talloze genootschappen in de stad.[227]
Overigens was al vóór deze officiele oprichting een genootschap ‘Vriendschap streeft naar Wétenschap’ actief: onder dit motto was al in 1804 een toneelalmanak verschenen bij uitgever en boekhandelaar J.G. Rohloff. Gezien de vele schouwburg-nieuwtjes in de almanak en het feit dat Rohloff lid was van het latere V.W.,[228] zal het hier waarschijnlijk om dezelfde betrokkenen gaan. Of V.W. werkelijk voortkomt uit de georganiseerde societeit-avondjes van Vreedenberg is niet met zekerheid te zeggen. In welke gelegenheid de bijeenkomsten in de eerste jaren na de oprichting plaatsvonden wordt nergens in de notulen vermeld.[229]
Nu de oprichting een feit was werden de zaken voortvarend aangepakt: Het tijdstip van samenkomst werd vastgesteld op vrijdagavond (in deze jaren werden er op vrijdag geen toneelvoorstellingen gegeven); de werkjaren liepen van oktober tot mei, gelijk met het toneelseizoen. Een president en vice-president werden gekozen, meubilair vervaardigd, grondbeginselen geformuleerd, een maximaal aantal leden ingesteld, notulen bijgehouden en rekeningen opgemaakt. Onder de eerste leden bevond zich een aantal acteurs van de schouwburg (Coenraad van Hulst, Jan van Well en Jan Baptist Neits waren leden van het eerste uur) en verder bestond het gezelschap uit kleine burgers waaronder winkeliers, onderwijzers, kantoorbedienden, schilders en boekhandelaren.
Belangrijke pilaren van het nieuwe gezelschap waren de broederband en de geheimhoudingsplicht. Om de onderlinge band nog eens extra te benadrukken noemde men elkaar tijdens de bijeenkomsten ‘frater’. De idee van de broederschap, als iets dat net als in de vrijmetselarij over rang en afkomst, politieke voorkeur en zelfs de dood heen zou moeten reiken,[230] werd hier bijzonder serieus genomen als men bedenkt dat oprichters en tonelisten Vreedenberg en Teunis Christoffel Beynink regelmatig op voet van oorlog met elkaar stonden. In elk geval doet Vreedenberg in zijn mémoires verslag van enkele aanvaringen en pesterijen. De aantijgingen van Vreedenberg staan overigens niet op zichzelf; ook in de notulen van V.W. komt Beynink naar voren als een notoire onruststoker. Tot twee maal toe werd hij als lid geroyeerd wegens beledigend gedrag.[231] De persoonlijke botsingen geven aan dat het ernst was met de Maatschappij V.W., en deze boven het niveau van een doorsnee vriendenclubje uitsteeg; met de georganiseerde broederschap boven de persoonlijke vriendschap had het van meet af aan een haast professionele basis.
Opvallend is dat de maatschappij V.W. zich nadrukkelijk opstelde als een geheime broederschap. Vooral het mysterie van de letters V.W. werd goed bewaakt: om het besloten karakter van het gezelschap zeker te stellen kon de betekenis soms zelfs meerdere keren per jaar veranderen. De betekenis van de letters ‘V.W.’ fungeerde dan als wachtwoord voor de leden. De motto’s lijken het streven en tevens de ontwikkeling van het gezelschap weer te geven; in de eerste jaren ging het van ‘Vriendschap streeft na Wetenschappen’ tot ‘Vriendschap streeft naar deugd en Wetenschap’.[232] In de periode daarna kwam de arbeid op een hoger plan te staan; er werd gekozen voor ‘Verlichting kroont hier Werkzaamheid[233] en later dat jaar voor ‘Vriendschap geleid onze Werkzaamheid’.[234] Vervolgens won het rationele: ‘Verstand volmaakt onze Wetenschappen’[235] en ‘Verlichting doet ons Werken’.[236] Pas in de laatste jaren van haar bestaan, vanaf 1884, werd ‘het geheim’ officieel opgeheven en opereerde men definitief als ‘de Kunst en Wetenschap beoefenende Maatschappij V.W. onder de zinspreuk: ‘Vooruitgang door Wetenschap’’.[237]
In eerste instantie was V.W. vooral een letterkundig genootschap. De leden hielden zich bezig met taal- en stijloefeningen, corrigeerden fouten in teksten, gaven voordrachten of dichtten aan de hand van een opgegeven thema en vaststaand aantal versregels. Het bestuur verzorgde prijsvragen en loofde medailles uit voor de beste inzendingen. De dichtwerkjes – huiselijke tafereeltjes zijn verreweg favoriet – werden steeds anoniem beoordeeld. Ook werd op de bijeenkomsten voorgelezen uit het werk van contemporaine dichters (al dan niet honorair lid van V.W.) als Loosjes, Tollens en Rhijnvis Feith.[238]
De organisatie binnen V.W. werd gaandeweg efficienter. Na ruim een jaar werd er een ‘Commissie van Toevoorzigt’ samengesteld, bestaande uit de drie acteurs Vreedenberg, Van Well en Van Hulst, ‘ten einde het nutteloos woordvragen te doen ophouden’.[239] Ieder voorstel van één van de fraters moest voortaan eerst langs de commissie. Het liep inmiddels storm bij V.W.: Men voelde zich genoodzaakt tot verdrievoudiging van de ‘entré’ (van één naar drie gulden) vanwege de enorme toeloop van nieuwe leden.[240] Het gezelschap was zo snel uit haar jasje gegroeid dat elke maand moest worden geloot om één van de schaarse zitplaatsen.[241] Vanaf april 1808 werd er een ruimte gehuurd in de ‘Fransche Tuin’ in de Elandsstraat, voor vier gulden per avond.[242] Het maximale aantal leden werd kort daarop verhoogd van 60 tot 70 à 80.[243]
Ondertussen werden ook de oefeningen in de schone kunsten flink uitgebreid. Net als dat in toonaangevende genootschappen als de Hollandsche Maatschappij van fraaije kunsten en wetenschappen en Felix Meritis gebruikelijk was, wilden de fraters van V.W. ook graag ‘werken’ in ‘departementen’. Na het opzetten van het departement Taal- en Dichtkunde besloot men verder te gaan met het samenstellen van ‘een zoort van Cappel of musikaale Verééniging, en daarvoor uit de Leden te benoemen één frater om als directeur daar over te ageren’.[244] Het is weinig verrassend dat Jan Baptist Neits hiervoor de favoriete kandidaat was – in de vrijmetselaarsloge La Paix bekleedde hij al vijf jaar lang een soortgelijke functie als Kapelmeester. Wat betreft de vocalen in het ‘Muzikalisch Lichaam’ stonden de beste zangers van de Amsterdamse Schouwburg tot zijn beschikking: het koor van V.W. bestond uit de al eerder genoemde Majofski, Malfeit, Vreedenberg, Van Well, Beynink en Van Hulst, aangevuld met Hendrik Kraijestein, T. Tobi en A. Vermeere.[245]
Het nieuwe departement Toonkunde bleek niet alleen een aanzuigende werking te hebben op muzikanten, maar ook op beeldend kunstenaars. Al snel werd besloten om één keer in de veertien dagen een tekenopdracht te geven, om de vele ‘kunst beoeffenaars der Tekenkunde’ ook eens in de gelegenheid te stellen om mee te dingen naar een prijs.[246] De beoordelaar van de tekenkunsten was alwéér Jan Baptist Neits, die ook met deze kunstvorm niet onbekend was.[247]
Vervolgens zette men koers naar het gebied van de natuurwetenschappen, een terrein waar het gros van de artistiekelingen en kleine handelaren niet in thuis zal zijn geweest. Getracht werd om deze kennis in huis te halen door het honorair (gratis) lidmaatschap aan te bieden aan personen die ‘waarlijk door hunne bijzondere verdiensten en bekwaamheden van nut en aangenaam kunnen zijn; als bijvoorbeeld de zoodanige, die door Physiche of natuurkundige proeven, het grootste vermaak en nut zoude kunnen verschaffen’.[248] Voortaan stonden er ook natuurkundige voordrachten op het programma, al duurde het nog jaren tot er voldoende kennis en belangstelling in huis was voor het vormen van een afzonderlijk departement op dit gebied. Pas in 1817 werd de nieuwe rol van de wetenschap officieel vastgelegd in de naam van het gezelschap: vanaf 21 Juli is het ‘de Kunst en Wetenschap bevorderende Maatschappij, onder de zinspreuk V.W.’ Later dat jaar werd aan de departementen dichtkunst, tekenkunst en toonkunst het vierde departement ‘Wis- en Proefondervindelijke Natuurkunde’ toegevoegd. Hier hield men zich voornamelijk bezig met onderwerpen als electriciteit, het heelal en uiteraard het immens populaire dierlijk magnetisme. Als vijfde departement ten slotte volgde in 1822 het ‘Departement van Kunstmatige Voordracht’, dat onder leiding kwam te staan van de acteurs Jelgerhuis, Westerman, Majofski en Van Hulst.[249]
Met de aanwas van leden steeg ook het niveau van de werkzaamheden. Aanvankelijk (totdat aanzienlijker lieden lid worden) is het in de taal- en dichtkunst steevast Coenraad van Hulst die de meeste fouten in teksten corrigeert, en is Vreedenberg degene die de prijzen voor het beste dichtwerk in de wacht sleept. Met de onderwerpen bleef men bij voorkeur dicht bij huis. Huiselijke poezie was favoriet, of het vaderland; prijsvragen in verzen handelen de eerste jaren over ‘de voordeelen van ons Land door de ligging van hetzelve’, maar net zo makkelijk over de kwesties ‘wat het nuttigste is de Boter of de kaas?’,[250] ‘de nuttigheid van ’t tabak rooken en de zugt van den eenen mensch boven den anderen tot deze zaak’[251] en ook vindt men hoogstandjes als ‘een rijmpje zonder r erin’.[252] Een enkele keer werd er buiten de eigen kring gepubliceerd, zoals ‘Vaersjes op het ongeluk van Leyden’ (met betrekking op de ontploffing van een kruitschip in de Leidse haven) in de Amsterdamsche Mercurius van 1807;[253] maar dan wel slechts onder initialen. In later jaren zijn het ook wel eens honoraire leden als Helmers, Tollens en Warnsinck die een dichtwerk inzenden of een voordracht komen verzorgen.
Al met al getuigden de literaire voortbrengselen niet van een bijzonder hoog niveau. Een ‘Buitengewoon Honorair Lid’ als Johannes Kinker, die geen actief lid was maar vanaf 1828 af en toe als beoordelaar optrad, lijkt de dichtende fraters eerder aandoenlijk gevonden te hebben dan bewonderenswaardig om hun talenten en intellectuele onderlegdheid.[254] Toch zou het te simpel zijn om de werkzaamheden binnen V.W. af te doen als louter spielerei en ‘gezelligheid’. Er werd binnen de verschillende departementen wel degelijk gestreefd naar systematische verbetering en ontwikkeling van de burger, en men verzorgde in dit kader zelfs theoretisch onderricht binnen de eigen kring.
Zo was er Johannes Jelgerhuis, het dubbeltalent dat in later jaren initiatieven zou nemen tot een theoretische acteeropleiding en zijn Theoretische lessen in gesticulatie en mimiek zou publiceren,[255] die Westerman en P.J. van Os opvolgde als ‘frater directeur’ van het departement tekenkunde.[256] Hij drukte zijn stempel op de prijsvragen in de tekenkunst door het geven van uitzonderlijk gedetailleerde opdrachten, waarbij hij nadrukkelijk vroeg aandacht te schenken aan de in zijn lessen behandelde licht-donkereffecten en perspectief, en hij de fraters aanmoedigde te experimenteren met verschillende materialen. Ook de onderwerpkeuze verbreedde: Jelgerhuis nam geen genoegen met de overvloed aan huiselijke tafereeltjes, maar wilde tevens historische en bijbelse voorstellingen zien. Ook in de muziek bewoog men zich op het theoretisch-didactische vlak. Pieter Greive, van beroep muziek- en balletmeester, verzorgde de theoretische lessen in toonkunde.[257]
Terwijl V.W. werd uitgebreid met de muziek- en tekenkunstdepartementen en het aantal kunstenaars binnen de gelederen snel toenam, leek ook het bewustzijn van de leden te groeien. De maatschappij werd in de notulen niet langer hoopvol als ‘kunstbevorderend’, maar steeds vaker zelfbewust als ‘kunstkwekend’ aangeduid. Daarbij werd de blik meer naar buiten gericht; vanaf het jaar 1817 gaf men, in navolging van andere Maatschappijen en Genootschappen, een Jaarboekje uit. Zelfs lijken zij het elitaire Felix Meritis naar de kroon te willen steken. In een dichtwerkje ‘de departementen van V.W.’[258] klopt een frater zich vol overtuiging op de borst: ‘Zelfs Felix biedt geen ruimer stof, / Of grooter tal van knappe venten!’.
Hoewel sinds de oprichting in aanzien gestegen, op gelijke hoogte met een Felix Meritis zouden zij nooit komen. Wel werden nog nieuwe afdelingen opgezet in Middelburg (1818) en Alkmaar (1822); een initiatief tot eenzelfde vertakking in Den Haag mislukte omdat de afdeling teveel zou zijn afgedreven van de grondbeginselen van de Maatschappij.[259] Het geheel werd te groot en de nog werkzame leden van het eerste uur als Vreedenberg en Van Hulst verloren hun grip. Vreedenberg, nestor van V.W., bedankt uiteindelijk in 1826 na interne twisten tussen ‘oudgedienden’ en ‘modernen’, die af wilden van alle geheimen en ceremoniën binnen V.W.[260] Volgens Abraham van der Swan, die in een feestrede in 1831 terugkeek op vijfentwintig jaar V.W., heerste er in de jaren na het afscheid van Vreedenberg ‘in vele werkzaamheden eene blijkbare verslapping’.[261] Desondanks bleef het aantal leden groeien; in 1831 was V.W. ten opzichte van het jaar 1808 al meer dan verdubbeld, en werd het maximum op 150 leden gesteld.[262]
In de periode tussen 1830 en 1840 waren de meeste leden van de oude garde overleden. Van Hulst legde zijn functie als orateur neer op de algemene vergadering van het jaar 1840 – een functie die hij niet minder dan dertig jaar had vervuld.[263]
Na alle ‘moderniserende’ maatregelen uit die jaren als afschaffing van entreegeld, beperken van de rituelen bij het aanemen van nieuwe leden en de vereenvoudiging van de jaarvergaderingen telde men er onder de leden steeds meer van een hogere afkomst: doktoren, apothekers, notarissen, advocaten en studenten. Ooit ontstaan door de ondernemende en enthousiaste toneelspeler Casper Vreedenberg, die een groepje artiesten en kleine burgers wist aan te sporen tot zelfontwikkeling, bleef ‘V.W.’ uiteindelijk bestaan tot het jaar 1903.[264]
De opdeling in departementen, de uitgeschreven prijsvragen met te behalen eremetalen en het systeem van werkende, honoraire en buitengewoon honoraire lidmaatschappen doen denken aan ieder ander (letterkundig) kunstgenootschap. Toch zijn er elementen in het genootschap V.W. aan te wijzen die teveel overeenkomen met gebruiken binnen de vrijmetselarij om toevallig te heten – zeker als duidelijk wordt dat een groot aantal V.W.-leden voor langere of kortere tijd lid is geweest van één van de Amsterdamse loges.
