De acteurs waren in deze jaren, op Lambotte na, allen tussen de 25 en 30 jaar oud en de meesten van hen stonden ten tijde van hun toetreding nog aan het begin van hun toneelloopbaan. Een aantal van hen was een paar jaar daarvoor getrouwd en intussen verantwoordelijk voor één of meer kinderen. Tevens waren zij nu dus Broeder vrijmetselaar; maar of dit inhoudelijk veel te betekenen had valt te betwijfelen. Vooral op de betrokkenheid van de broeders Van Well, Van Hulst en Pieter Snoek viel wel het een en ander aan te merken.
Op een officiersvergadering van 28 februari 1800 werd ‘door den Broeder Zeburger voor gedraage omtrend de leeden Jan van Wel en C van Hulst – eenige Moderatie te gebruijke weijl deselve geen meer loges als die harer receptie hadden bijgewoond’.[206] Hieruit blijkt dat de acteurs zich de gehele herfst en winter niet in de loge hadden laten zien: zij waren immers al in de zomer van 1799 gerecipieerd. In de vergadering werd verder nog geconcludeerd dat zij nog altijd het receptiegeld van f 53 : 10 aan de loge verschuldigd waren. De reprimande van de logebroeders had effect: Op de eerstvolgende comparitie waren zij er weer bij, inmiddels versterkt door Simon Lambert Lambotte.[207] Het hele jaar waren zij vervolgens keurig aanwezig; alleen Jan Baptist Neits, die later dat seizoen tot Kapelmeester zou worden gekozen,[208] was beduidend vaker afwezig dan present, zelfs op de officiersvergaderingen.
Het bleef niet bij Van Hulst en Van Well; ook Pieter Snoek bleek nalatig op financieel gebied. Op 24 november 1801 besloot de Voorzittend Meester hem bij de eerstvolgende officiersvergadering op het matje te laten komen ‘wegens het niet betalen zyner bijlagen’.[209] Zo heel uitzonderlijk was dit niet; als op 21 september 1802 de Broeder thesaurier rapport doet ‘wegens het finantie weesen’, wordt er grote nadruk gelegd op het onrustbarend groeiende aantal wanbetalers binnen de loge. Direct daarop stromen er verzoeken binnen om ontslag, waaronder die van Pieter Snoek, Coenraad van Hulst en Jan van Well. Na overleg met de Broeder thesaurier werd besloten deze Broeders in hun wens tegemoet te komen – maar slechts nádat zij hun achterstallige penningen aan de loge zullen hebben voldaan.[210]
Hiermee kwam een roemloos einde aan het vrijmetselaarsleven van Pieter Snoek en Jan van Well, dat voor Snoek drie en een half jaar duurde, en voor Van Well ruim drie jaar. Hoewel zij niet altijd aanwezig waren en niet al te trouw van betalen, was deze periode lang genoeg om de meestersgraad te verkrijgen en een grondige kennis op te doen van de maçonnieke symboliek. Coenraad van Hulst zou op latere leeftijd terugkeren in de vrijmetselarij.
Van het vrijmetselaarsbestaan van Andries Snoek bij La Bien Aimée, dat toch zeker negen jaar duurde, zijn in het logearchief nauwelijks sporen te vinden. Behalve aan lacunes in de overgeleverde geschriften is dit te wijten aan onnauwkeurig opgetekende notulen. Werden in de notulen van La Paix nauwgezet de namen van de absenten én de aanwezigen vermeld, bij La Bien Aimée werd er in die periode volstaan met [present:] ‘meest alle officieren’. Wanneer en hoe vaak een broeder aanwezig was, is hierdoor niet na te gaan. Ook werd niet van alle gebeurtenissen consequent verslag opgemaakt: zo is in de notulen niet terug te vinden wanneer Snoek zijn compagnonsgraad kreeg, en ook van zijn bedanken (uit de tabellen blijkt dat dit tussen 1 april 1804 en 1 april 1805 gebeurd moet zijn) werd geen melding gemaakt. Was hij alleen op papier vrijmetselaar? Over zijn persoonlijke beleving van het vrijmetselaarschap weten we niets, maar we mogen aannemen dat hij op bestuurlijk niveau niet actief was. In elk geval heeft hij zich tijdens de negen jaar bij La Bien Aimée nooit met officiersfuncties of één van de vele commissies ingelaten.
Eén van de redenen voor het relatief korte lidmaatschap van Pieter Snoek en Jan van Well zouden de barre omstandigheden kunnen zijn waarin de loge La Paix in deze jaren verkeerde. Blijkbaar was de armoedeval van Amsterdam, veroorzaakt door jaren van politieke roeringen, zee-oorlogen en handelsblokkades, ook doorgedrongen tot de broeders binnen de loge; en was dit de oorzaak van de steeds vaker uitblijvende contributiegelden.
In het voorjaar van 1799 werd besloten om dat jaar tijdens de zomermaanden niet bij elkaar te komen, tenzij de inkomsten van dat jaar de uitgaven nog goed zouden maken.[211] Om de financiële malaise het hoofd te bieden werd besloten dat alle Broeders naast het betalen van de jaarlijkse contributie ook moesten delen in de snel stijgende schulden van de loge.[212] Daarbij was La Paix in 1800 al getroffen door de mysterieuze verdwijning van de Voorzittend Meester Willem Luderus, waarna van overheidswege het stadsslot op zijn huis was gelegd – de plaats waar vele van de eigendommen van de loge zich bevonden.[213] Ook in de zomer van 1801 vond er een bestuurlijke crisis plaats waarvan de oorzaken in nevelen gehuld blijven. Op 2 juli waren er maar liefst 26 absenten, en op de volgende vergadering regende het opzeggingen waaronder die van de eerste opzichter, secretaris en hofmeester.[214]
De rest van de zomer en de hele maand oktober kwamen de broeders niet bijeen en pas in november 1802, zo blijkt uit de notulen, gaf de Voorzittend Meester kennis van de redenen ‘waar omme niet eerder Loge te hebben kunnen houden’.[215] De redenen zelf werden helaas niet opgenomen in de notulen. Kort daarop werd in allerijl een vergadering bijeengeroepen in ‘den Geneverboom’ op de Nieuwmarkt, waar men met leedwezen moest vernemen ‘dat den broeders Poorters Castelijn in de Munt, zig niet ontzien heeft van opentlijk te declareeren, dat zijn Locaal niet meerder in dienst dezen Logen konden geemplojeert worden’.[216] De daaruit voortvloeiende verhuizingen van lokaal naar lokaal en de aanhoudende geldzorgen van de loge deden het ledental geen goed.
Ook de meeste acteurs hielden hun lidmaatschap in deze periode voor gezien. De Broeders van Talent bleven wel aan, wellicht omdat zij in plaats van contributie te moeten betálen juist aan de logebijeenkomsten konden verdienen. Het waren van alle metselende acteurs in deze periode dan ook de (honoraire) Kapelmeesters met de langste staat van verdienste. Jan Bapist Neits was vanaf 1801 de vaste Kapelmeester van La Paix, maar hij was vooral in de jaren tussen 1809 en 1814 steevast afwezig op de vergaderingen. Blijkbaar was het voor de algemene huishoudelijke of bestuurlijke zaken niet van groot belang of de Kapelmeester er was of niet. Voor het werkjaar 1814-1815 werd hij voor de laatste keer verkozen tot Kapelmeester. Hierna verdwijnt hij geruisloos uit de lijsten.[217]
Het was waarschijnlijk de acteur in het zangspel Andries Malfait die een aantal jaar later de plaats van Neits bezette. De verwarring ontstaat doordat jarenlang de voorletters ‘A.’ en ‘J.’ afgewisseld worden. In 1818 werd er een zekere J. Malfait verkozen tot Kapelmeester[218], maar na 1821 staat er voornamelijk ‘A. Malfait’. Het betreft hier waarschijnlijk één en dezelfde persoon: De acteur in het zangspel Andries Malfait had een zoon, Nicolaas, ‘oud 22 Jaaren van beroep Muziek meester’ die op 23 oktober van dat jaar 1818 als Broeder van Talent werd aangenomen. Op 10 mei 1822 werd de adjunct J.C. Kleine als Kapelmeester aangesteld, vanwege het overlijden van ‘A. Malefeijt’ kort vóór die datum.[219]
Bij La Bien Aimée was het Majofski die de muzikale zaken blijkbaar naar volle tevredenheid regelde; hij bleef ruim dertig jaar lang aan als Kapelmeester, van 1803 tot zijn plotselinge dood in 1836.[220]
Over Andries Snoek is dus weinig bekend; Pieter Snoek, Van Hulst en Van Well leken in eerste instantie vooral nieuwsgierig (zij kwamen immers na hun receptie lange tijd niet meer opdagen) en konden of wilden niet aan hun contributieplichten voldoen. Namen deze acteurs nu een aparte plaats in onder de broeders?
Als eerste moet worden opgemerkt dat het korte lidmaatschap van deze acteurs en het ‘wanbetalen’ niet heel verwonderlijk zijn. Het wekt eerder nog enige verbazing dat zij het hoge bedrag van de receptiegelden en de contributie op konden brengen. Majofski, Andries Snoek en zelfs de zanger Jan Baptist Neits verdienden in deze periode al een aardig speelloon, maar vooral Van Well en Van Hulst werden nog voor heel wat minder aangeslagen. Voor Coenraad van Hulst, degene van de hier genoemde acteurs die in het seizoen 1800-1801 het minst verdiende, kwam het receptiegeld van meer dan vijftig gulden zelfs in de buurt van een heel maandsalaris![221] Vooral Van Hulst lijkt wat dit betreft wat te hoog gegrepen te hebben om als beginnend acteur toe te treden tot de Orde van Vrijmetselaren. Toch is uit de notulen en ledenlijsten gebleken dat het niet betalen van de verplichte bijdragen geenszins exemplarisch was voor de tonelisten; er waren meer Broeders die zich hieraan schuldig maakten. De tonelisten vallen in dit opzicht niet buiten de boot.
Ook uit de huisvesting van de acteurs blijkt uiteindelijk geen aparte positie. Niet alle vrijmetselaren in deze periode waren kennelijk van goeden huize. Woonden de meeste acteurs rond 1800, het begin van hun carriére, rond het Leidseplein in de weinig aanzienlijke Leidsedwarsstraten, als we kijken naar een adressenlijst van de loge La Paix[222] uit dezelfde periode wonen de de overige Broeders ook niet allemaal op stand. Weliswaar woont een aantal op de keurige Herengracht, en verder wonen er Broeders verspreid aan de Voorburgwal over de Kolk, Utrechtsestraat, Blommarkt, op t Water, Brouwersgracht, op t Vlakke Veld, in de Warmoesstraat en de Nieuwe Lelijstraat. Maar ook zijn er een aantal te vinden ‘ten huijse van’, bijvoorbeeld inwonend bij de kruidenier. En waarschijnlijk woonde de Broeder ‘boven de wayerwinkel de goude kop in de hartenstraat’ ook niet overdreven chique.
Gelet op de verkregen maçonnieke graden, de wijze van (wan)betalen en huisvesting doen de wellicht wat armlastigere tonelisten dus niet per definitie onder voor de overige logebroeders. Toch bleven de meesten van hen slechts enkele jaren lid. Wat zochten zij dan toch bij de vrijmetselarij? Waren het de verlichtingidealen en het ‘ken u zelve’ die aantrokken? Waren het de theatrale ritualen, door vrijmetselaren immers aangeduid als ‘ernstig spel’, die bij de schouwburgacteurs tot de verbeelding spraken? In elk geval werden de grenzen van hun kleine toneelwereldje flink opgerekt en hielden zij er een netwerk van contacten aan over, dat in de volgende periode nog van groot nut zou blijken te zijn. Uit de oprichting van een eigen genootschap met duidelijke maçonnieke trekken, dat in het volgende hoofdstuk aan bod komt, zal blijken dat de vrijmetselarij wel degelijk van grote invloed is geweest op de acteurs.
