Error message

Notice: Undefined index: localized_options in menu_navigation_links() (line 1857 of /public/sites/www.paulinevandenheuvel.nl/includes/menu.inc).

3.1.2. status

Het moge duidelijk zijn dat de Broeders van Talent geen status hadden die gelijk stond aan die van de overige broeders. Dit blijkt onder meer uit het feit dat de functie van ‘Broeder van Talent’ uitdrukkelijk vermeld diende te worden op het certificaat dat bij de verkregen graad hoorde.[175]
Daarbij werden ze wel toegelaten tot de ‘huishoudelyke deliberatiën’ of comparities, maar hadden daar slechts een adviserende rol in de besluitvorming. Net als de Kapelmeester hadden zij geen stemrecht. Daar stond tegenover dat zij vrijgesteld waren van de hoge receptie- en contributiegelden, en bij La Bien Aimée waren zij ook geen boetegeld verschuldigd bij te laat komen.[176]
De loge hoefde voor deze broeders dan ook geen gelden af te dragen aan het overkoepelende Ordebestuur (het Groot-Oosten), wat zij voor reguliere leden wel verplicht was.[177]
Bij de receptie gold wel, net als voor de ‘gewone’ of effectieve leden, dat de Broeders van Talent voorgedragen en goedgekeurd moesten worden door de overige logebroeders.

La Bien Aimée was in haar voorschriften steeds het meest uitvoerig over de Broeders van Talent. La Paix had in 1800 geen apart artikel gewijd aan de ‘attalants’, maar wel was bepaald dat hun getal niet meer mocht bedragen dan twaalf broeders.[178]
In 1825 kregen er slechts tien een plaats aan de tafelloge en mocht hun betaling niet boven f 150 per jaar uitkomen[179]; in 1837 werd de omvang van het orkest weer op maximaal twaalf gesteld.[180]

La Charité meldt in de in het Ordearchief bewaarde wetten en reglementen niets méér over de Broeders van Talent dan dat zij mogen worden aangenomen volgens art. 95 van het Reglement voor de Broederschap der Vrij-metselaren.[181]
Concordia Vincit Animos lijkt de hoogste eisen te stellen aan de muzikale broeders: niet alleen mogen zij slechts worden aangenomen ‘onder bijzondere aanbeveeling wegens uitstekende verdiensten’, ook moeten zij zich voor twee jaar verbinden ‘tot de stipste waarneeming der Kapel [...], ‘onder poene van weigering van Certificaat en Exclusie’.[182]
Willem Fredrik rept in de eerste bijwetten met geen woord over eventuele Broeders van Talent.

Naast de Broeders van Talent waren er nog de dienende broeders, of Broeders Servant, die een aparte status genoten binnen de loge. Ook zij moesten vanwege het besloten karakter van de vrijmetselaarstempel een inwijding ondergaan alvorens de broeders van drank te mogen voorzien en de tafels te dekken. Een verschil met de Broeders van Talent was dat de dienende broeders een in het huishoudelijk reglement gespecificeerd salaris kregen, terwijl dit voor de muzikanten en zangers nergens werd vermeld. In de gedrukte Huishoudelijke bijwetten van Concordia Vincit Animos uit 1841[183] komt op het gebied van de receptie nog een verschil tussen beide groepen naar voren. De Broeders van Talent en de dienende broeders legden niet dezelfde belofte af bij hun inwijding. De dienende broeders moesten vooral getrouw bedienen; Broeders van Talent kregen nog de bepaling mee dat zij de arbeid gedurende twee jaren beloofden ‘opluisteren’ en zich daarbij te gedragen ‘gelijk een waardig Broeder Vrije Metselaar betaamt’. Opvallend is dat zij geen geheimhouding hoefden te beloven, waar dit voor de Broeders servanten wel het geval was. In het reglement werd vastgelegd dat zij hun post verloren wanneer zij het stilzwijgen rondom de logebijeenkomsten zouden doorbreken.[184]

Het praktisch nut van de Broeders van Talent bleef niet beperkt tot de eerste graad. De meeste muzikanten in het stamboek van La Paix werden na de inwijding in de leerlingsgraad bevorderd tot ‘metgezel’ (ook wel gezel of compagnon genoemd). Daarbij kregen Kapelmeesters Jan Baptist Neits en Freubel ook een aantal Hoge Graden toebedeeld (die van Schots meester, Elu en Chevalier d’Epé), waarvoor de meestersgraad vereist was.[185]
Het is waarschijnlijk dat zij ook bij deze bijeenkomsten een aantal Broeders van Talent meenamen. Overigens is niet duidelijk of er voor de inwijding, bevordering of verheffing van de Broeders van Talent alle gebruikelijke ritualen werden doorlopen, of dat er voor hen een ‘uitgeklede versie’ bestond. Voor het laatste zijn in de archieven vooralsnog geen aanwijzingen te vinden.

Afsluitend valt te concluderen dat het voornamelijk de muzikánten aan de schouwburg waren die als Kapelmeester of Broeder van Talent werden aangenomen. Zij werden in de stamboeken vermeld als ‘muzikant’, ‘muziekmeester’ of ‘toonkunstenaar’. Zoals hierna duidelijk wordt waren de meeste acteurs die wij terugvinden in de ledenregisters volwaardig lid; of zij betaalden in elk geval contributie en hadden op papier dezelfde rechten en plichten als elke andere Broeder in de vrijmetselaarsloge.

Deze scheiding tussen de ‘pure’ Broeders van Talent, meest toonkunstenaars, en de acteurs, waarvan de meesten wel konden zingen maar waarschijnlijk geen instrument bespeelden, zal niet heel strikt zijn geweest. Zij kenden elkaar ongetwijfeld van de schouwburg en zullen elkaar de vrijmetselarij binnen hebben geholpen. Zo werden Jan van Well en Coenraad van Hulst, acteurs en ‘gewone leden’, bijvoorbeeld ter receptie voorgesteld door Broeder van Talent en (schouwburg-)muzikant Jan Zeeburger, en Van Well en Neits droegen op hun beurt weer nieuwe Broeders van Talent aan; vaak muzikanten uit het schouwburgorkest. In de rijtjes ‘a talents’ op de ledentabellen van de loges en de lijsten van muzikanten in het schouwburgorkest komen veelvuldig dezelfde namen voor.

Niet altijd is te zeggen of iemand in eerste instantie als Talent is aangenomen. Het stamboek (waarin door de jaren heen alle nieuwe leden worden bijgeschreven) van de loge La Paix bevat soms andere gegevens dan de bewaard gebleven tabellen (staten van de ledensamenstelling van de loge, die bij afsluiting van het werkjaar werden opgemaakt en naar het Grootoosten moesten worden gezonden) en de ledenlijsten. Zo werd operazanger Jan Baptist Neyts op 22-jarige leeftijd in maart 1792 gerecipieerd, en werd dan zonder aanduiding ‘talent’ in het stamboek vermeld. Totdat hij in 1801 zelf tot Kapelmeester verkozen werd[186], viel hij soms in voor Zeeburger; in die functie behoorde hij wel tot de Broeders van Talent. Acteur Pieter Snoek kreeg omgekeerd in het stamboek wel het achtervoegsel ‘Attalant’, maar uit de ledentabellen blijkt nergens dat hij vrijgesteld was van contributie. Later zal hij bijna uit de loge worden verwijderd wegens wanbetaling, het bewijs dat hij ‘gewoon’ lid was.

De lagere status van de Broeders van Talent blijkt het duidelijkst uit het volgende voorbeeld: Op een algemene vergadering in april 1800 wordt het besluit voorgelezen om Theodorus Majofski, die als ‘Frére à talent’ gratis gerecipieerd was en intussen de meestersgraad bezat, ‘in aanmerking van zyne erkende merites, zich als effectief contribueerend Lid te laten voorstellen, om by approbatie als zodanig te worden geassocieerd’.[187]
Blijkbaar heeft hij zich genoeg bewezen; zijn ‘attalant’ stempel wordt uitgeveegd. Voortaan mag hij de hoge contributie gaan betalen.