De meest gebruikelijke manier om wat bij te verdienen in de zomermaanden was het ondernemen van een ‘zomer-reis’: Groepjes acteurs sloten zich aaneen en vormden reizende troepen die de grote steden binnen de Republiek en soms ook daarbuiten bezochten. Vaak vormde de open lucht of een houten keet tussen allerhande kraampjes en rariteitenkabinetten op de kermis hierbij het toneel. Meestal was ook het repertoire aangepast aan de omgeving: regelmatig verzuchtten tijdens het officële seizoen de schouwburg-recensenten met betrekking tot een ‘luchthartig’ blijspel of ‘vrijmoedig’ zangstukje dat dit niet zou misstaan op een kermis tijdens een zomer-reis. De spelers traden op in snel wisselende samenstelling; zo zou de auteur van het ‘Bericht wegens reizende toneelspelers’ in 1804 de lezer graag wat meer informatie geven, maar gaf hij toe er geen wijs meer uit te kunnen worden door ‘de ongeregeldheden en maar al te dikwerf ontstaane geschillen en de daar uit voortvloeiende scheuringen en veranderingen der Directiën dier Troupen’.[142] De troep van de ‘Amsteldamsche Stads-Tooneelisten’, onder leiding van Cruys, Majofski, Andries en Pieter Snoek en J.P. Kroese leek daarentegen aardig stabiel. Voor meerdere seizoenen bestond het gezelschap uit het grootste deel van de acteurs en actrices verbonden aan de Amsterdamse Schouwburg: 16 spelers plus 5 directeuren. De groep werd gecompleteerd met een twintigtal, ‘meest alle Muzikanten van den Amsterdamschen Schouwburg’, zodat het gezelschap in totaal uit zo’n veertig personen bestond en de gehele Schouwburg zich verplaatst leek te hebben.[143]
Over de precieze opbrengsten van deze optredens is helaas niets bekend. Volgens de mémoires van Casper Vreedenberg kon men in die drie weken flink verdienen: Als men ter plekke niet te veel verteerde kon men naast een ‘ruim weekgeld’ nog zo’n geldbuidel thuis brengen ‘dat aan elk wel vijf à zes weken traktement, daarenboven, en partage, konde uitbetaald worden’.[144] Dat het ook wel eens minder rooskleurig kon aflopen, bleek uit een gewaagde reis zuidwaarts van zeven weken in 1816, met een groep waar onder anderen Jelgerhuis, Andries Snoek, Majofski, Van Hulst, Kamphuizen, en Rombach deel van uitmaakten. In het ‘verfranste’ Vlaanderen, dat toen net een jaar met de Noordelijke Nederlanden verenigd was, was de sfeer ronduit vijandig. Van de tweetalige affiches werd in Gent en Brussel de Nederlandse tekst afgescheurd, en ook in financieel opzicht zou de dure reis een ramp geweest zijn.[145]
