De politieke omstandigheden rond de Bataafse omwenteling en later de handelsbarrière tegen Engeland zorgden voor een zware druk op de handel. De bestaansbronnen waren voor veel Amsterdammers snel opgedroogd sinds de tachtiger jaren van de achttiende eeuw en vooral sinds de inlijving bij Frankrijk in 1810.[117] Ongetwijfeld hadden ook de acteurs en actrices hieronder te lijden. Toch waren de Amsterdamse tonelisten blijkbaar inventief genoeg om wat bij te schnabbelen – binnen de schouwburg of daarbuiten. Als het engagement van de schouwburg te weinig opleverde dan kon men nog geld verdienen tijdens de zomer-reizen, met het af en toe schitteren op een benefietavond, door andere taken binnen het theater op zich te nemen, of door ‘buiten’ een geheel ander beroep uit te oefenen dat te combineren viel met de lange dagen in de schouwburg.
De Amsterdamse Schouwburg hield haar personeel strak aan de lijn. De acteurs en actrices, dansers en danseressen (muzikanten waren aan minder regels gebonden) waren verplicht zich te houden aan de in 1795 herziene Toneelwetten.[118] Zo verbonden zij zich met het contract exclusief aan de Amsterdamse Schouwburg, en was zelfs het spelen op ‘eenig ander Theater’, ‘het zy dan van Societeiten, Collegien, Liefhebberyen ofte anderszins’ genoeg reden om iemand voorgoed van de speelrol te verwijderen. Ook mocht men zich niet buiten de stad begeven zonder toestemming van de Commissarissen. Het ‘excuseeren’ van de Rollen of Employen werd uitsluitend geaccepteerd in geval van ziekte, en dan nog ‘bewezen door eene behoorelyke schriftelyke Attestatie, van een bekend Doctor of Chirurgyn’. Uiteraard moest iedereen op tijd op het toneel verschijnen, ‘hunne Rollen behoorelyk kennen’, en niet ‘dronken of onbekwaam in den Schouwburg of op het Tooneel verschynen’. In het kader van de nuttige leerschool van deugd en goede zeden werden de artiesten geacht zich ‘ten allen tyde, zoo op het Tooneel als agter de schermen, ordentlyk en bescheiden [...] te gedraagen’, en daarbij ‘niets dat aanstootlyk of onbehoorelyk is, het zy in woorden of in gesten, by hunne Rollen mogen invoegen’.
Ondanks deze regels stond de drank een goede opvoering nog wel eens in de weg. In 1795 werd er een bekendmaking aangeplakt op het toneel, zodat alle tonelisten er kennis van konden nemen: ‘tot voorkoming van alle desordres’ werd uitdrukkelijk verboden ‘het verkopen van drank op het Tooneel’. Bij overtreding van het verbod zou men per direct uit zijn post worden gezet.[119]
De acteurs en actrices werden geacht zich iedere dag om half vijf te melden bij de schouwburg, of zij nu moesten spelen of niet, en zij mochten pas weer vertrekken als één van de Commissarissen daartoe toestemming had verleend. In 1805 hoefden zij niet meer naar de schouwburg te komen, maar waren zij verplicht tot 6 uur ’s avonds thuis te blijven zodat zij altijd oproepbaar waren in geval van ziekte of uitval van een collega. Als zij later op de avond het huis wilden verlaten, moesten zij zelfs laten weten op welk adres zij te vinden zouden zijn![120]
De Toneelmeester overhandigde iedere avond een lijst van overtreders aan de Commissarissen van de Schouwburg, waarbij degenen die over de schreef waren gegaan werden veroordeeld tot een flinke boete of zelfs onmiddellijk ontslag. Te laat komen of ‘eene Repetitie verzuimen’ was goed voor de astronomische boete van 25 guldens; zelfs voor de best betaalde acteur rond 1800 was dit het dubbele van wat men voor een avond verdiende.
In de praktijk zal het er wat minder streng aan toe zijn gegaan. Van Johanna Cornelia Wattier-Ziesenis weten we bijvoorbeeld dat ze tijdens een speelseizoen herhaaldelijk ziek was of op een buiten verbleef, en als we de critici in de toneeltijdschriften moeten geloven verliepen de opvoeringen niet altijd even vlekkeloos – soms was dit te wijten aan de gedragingen van het publiek, maar ook regelmatig aan onvoldoende voorbereiding door de acteurs. Klaarblijkelijk werden de groten onder de schouwburgacteurs wat coulanter behandeld dan de rest. Als Bingley na zijn zomeruitstapje naar de Rotterdamse Schouwburg wat langer wegblijft dan afgesproken, wordt hij in een directievergadering ‘sterk gecorrigeerd’, maar er lijken geen sancties op te staan. Dezelfde dag nog krijgt hij een grote rol, die van de opperpriester in het Feest van Apollo, toebedeeld.[121]
In het dagboek van een jeugdige aristocraat, die nauwkeurig lijsten bijhield met toneelstukken en concerten die hij had bijgewoond, komt naar voren dat ondanks het verbod op het spelen op andere podia onder meer Van Hulst, Neits en Majofski rond 1800 nog wel eens concerten gaven in de Garnalendoelen of Felix Meritis.[122]
