Hoewel enige scholing en leesvaardigheid wel nodig was om de rollen te kunnen leren, hadden de tonelisten in het algemeen geen of weinig algemeen onderwijs genoten. Wattier werd dan wel alle lof toegezongen, ook net zo hard klonk er kritiek als zij op het toneel blijk gaf van haar geringe taalkennis en veelvuldig fouten ‘tegen de geslachten en dergelijke’ maakte. Ook hier werd Ward Bingley gezien als een uitzondering, een intellectueel die met de Comédie Française had gespeeld en toneelstukken uit het Frans en Duits bewerkte en vertaalde.[112]
Toch waren er wel meer die op zijn minst enige kennis hadden van het Frans. Marten Westerman bewerkte Franse stukken en schreef zelfs een eigen op Frans-classisistische leest geschoeide tragedie. Casper Vreedenberg leerde Duits in een post die hij had op een commissionairskantoor.[113] Over een schoolopleiding van de broer en zussen Snoek is niets bekend, maar zij zullen ongetwijfeld wat van huis hebben meegekregen. In elk geval werd Helena Snoek geaccepteerd als werkend lid van het letterkundig genootschap Studium Scientiarum Genitrix, wat vrij uitzonderlijk was voor een vrouw.[114]
In het geval van Andries Snoek hebben we zelfs de buitenkans in zijn boekenkast te kijken: uit zijn nalatenschap werd op 25 en 26 mei 1826 een verzameling boeken verkocht, in de boekwinkel van Pieter Meyer Warnars.[115] Een gedrukte catalogus werd uitgegeven door Warnars in samenwerking met Coenraad van Hulst.[116] Ervan uitgegaan dat de boekverkoper niets heeft ingestoken en alle genoemde werken inderdaad uit het persoonlijke bezit kwamen van Snoek, komt de boekenverzameling overeen met het beeld dat men zou hebben van een lezer uit de sociale middenklasse of zelfs de gegoede burgerij. De catalogus telt geen klassieken of al te kostbare folianten, maar toch een respectabele verzameling van zo’n 290 nummers. Zoals velen van zijn tijd was Andries Snoek verzot op avontuurlijke lectuur; verreweg het grootste gedeelte van de catalogus beslaat spannende land- en reisbeschrijvingen in octavoformaat. Alles was in de Nederlandse taal gedrukt, met uitzondering van een paar Franse werken die uit toneelkundig oogpunt zullen zijn aangeschaft of geschonken. Werken in de collectie op zijn vakgebied betreffen een verzameling afbeeldingen en annonces van de schouwburg, verhandelingen over het toneel, de ‘lessen over de redekunst’ van H. Blair en Le Brun’s ‘Afbeeldingen der hartstochten’ met platen. In de catalogus is verder een groot aantal werken te vinden van contemporaine (toneel-)dichters als Bilderdijk, Tollens, Helmers, Loosjes, Van Walré en Barbaz. Sommige dichters schreven hun tragedies met Snoek in hun gedachten; het is niet duidelijk of zij ook persoonlijk op zulke goede voet stonden dat deze werkjes aan de acteur geschonken kunnen zijn. Verder uitgaven van de Bataafse Maatschappij van Taal en Dichtkunde en het vervolg daarop, de Hollandsche Maatschappij van fraaije Kunsten en Wetenschappen.
Uit de catalogus komt tevens zijn politieke interesse naar voren. Hij bezit drie delen van het tijdschrift ‘De Republikein’ en ‘Tafereelen van de staatsomwenteling in Frankrijk’: 25 delen met platen op groot papier. Daarnaast de ‘Aart der Wetten van Montesquieu’, ‘de voor- en nadeelen van de invloed des Volks op de Regering’, het Wetboek Napoleon 1810, Wetboek van Strafvordering en Wetboek van het Strafregt (beide uit 1811), en het Crimineel Wetboek voor het Koningryk Holland.
