De wijk het ‘Noortsche Bos’, het stadsdeel tussen de Spiegel-, Reguliers-, Prinsen- en Lijnbaansgracht, werd rond 1800 gezien als één van de grootste achterbuurten van de stad. Bij dit gebied kunnen ook de blokken getrokken worden die gelegen zijn aan weerszijden van dit stadsdeel tussen Leidsestraat en Spiegelgracht en tussen de Reguliersgracht en de Amstel. Het was geen beste buurt: verspreid over de wijk waren vervuilende bedrijven gevestigd en ook kwaliteit van de woningen liet te wensen over. Aan de schans, aan de rand van de wijk, waren de huisjes zelfs ongenummerd. De inwoners werden als ‘dootarm, lijdend aan broodgebrek en gealimenteerd’ beschreven.[102] In de Leidse dwarsstraten en de Leidse Kruisstraat was het wat beter, maar ook hier woonde men bepaald niet op stand; er bevonden zich zelfs gangen met kleine armoedige woningen. Na de Jordaan, de oude binnenstad en de jodenbuurt woonde hier rond 1800 het grootste deel van de bevolking; daarbij viel de buurt in de klasse met meer dan negen personen per huis.[103]
Dit nu was de buurt waar de meeste acteurs zich rond 1800 ophielden. Rondom de Leidsedwarsstraat leek zich een heuse artistieke kolonie op te houden. De familie Snoek was vanuit Rotterdam neergestreken op de Spiegelgracht. Dirk Kamphuizen verruilde zijn ouderlijk huis in de Weesperstraat bij de Keizersgracht al snel voor een optrekje in de korte Leidsedwarsstraat tussen de Kruisstraat en de Spiegelgracht. Ook Andries Malfait, Jan Baptist Neyts en muzikant Willem van Ollefen woonden in de korte Leidsedwarsstraat bij de Kruisstraat. Pieter Snoeck woonde met vrouw en collega op de Prinsengracht bij diezelfde Leidsekruisstraat, maar verhuisde kort daarop naar de Leidsegracht aan de andere kant van het Leidseplein. Jan van Well had zijn stulpje eerst op het ’t schaapenplein’[104] en later op het ‘Lyschenplein boven de chirurgijn’, en ook Coenraad van Hulst was te vinden in de directe omgeving van de schouwburg: In 1799 woonde hij in de Leidsestraat bij de Herengracht, ‘boven de stal van Willem k’.[105] Marten Westerman woonde, tot hij zich als boekhandelaar in de Kalverstraat bij de Enge Kapelsteeg vestigde, in de Kerkstraat bij de Leidsestraat.[106] Tot zover was Simon Lambert Lambotte de enige die ‘ver’ weg woonde op de Haarlemmerdijk.
Al zal hun positie in de maatschappij zich gaandeweg verbeteren en kunnen een aantal van hen zich onttrekken aan de malaise in de Leidse dwarsstraten, zij blijven in de buurt van de schouwburg. Tegen het einde van hun leven wonen de meest succesvolle acteurs, Dirk Kamphuizen, Andries Snoek en Theodor Majofski, in de zuidelijke grachtengordel aan de Prinsengracht, die wat sjieker is en primair een woonfunctie heeft – maar het is nog altijd het gedeelte dat grenst aan het Noordse Bos.[107] Let wel: Andries Snoek liet een ‘buiten’ na.[108] Dirk Kamphuizen senior, vader van de acteur Dirk Kamphuizen, had ook onroerend goed in zijn bezit: een pand en een erf aan de Weesperstraat, en een huis met erf aan de Zwanenburgstraat. Beide panden lagen midden in de Jodenbuurt en dit mocht dan geen geweldige buurt zijn, vader bleek voor het laatstgenoemde huis maar liefst 6000,- in contanten neer te kunnen leggen.[109] Dirk Kamphuizen de acteur erfde samen met zijn zus het ouderlijk huis in de Weesperstraat, en verkocht het direct door. Op de kwijtscheldingsakte gedateerd 4 april 1798 werd vastgelegd dat zij er 2800 gulden contant voor kregen.[110]
Dat men voorzichtig moet zijn uit het woonadres directe conclusies te trekken over financiële omstandigheden of de sociale status, blijkt uit de huisvesting van Johannes Jelgerhuis. Hij woonde dan wel net als veel anderen in de Lange Leidsedwarsstraat, maar bezat er een heel huisje, en had daarbij de beschikking over twee dienstboden. Bovendien dook na zijn overlijden een hoeveelheid linnengoed en kleding op ‘waarmede heden ten dage zeker zes gezinnen ruimschoots tevreden gesteld zouden zijn’.[111]
