Waren acteurs van oudsher al een kosmopolitische beroepsgroep, ook rond 1800 zien we dit weerspiegeld in de speellijsten. Van Ward Bingley kwamen zijn ouders uit Engeland, Jan Baptist Neyts en zijn familie kwamen uit Brugge; de vader van Majofski uit Litouwen;[97] de moeder van Vreedenberg was Deense van geboorte;[98] vader Westerman was een meester knopenmaker uit Westfalen;[99] en de ouders van Wattier van Franse afkomst. Daarnaast kon de schouwburg een beroep op Franse balletmeesters en -dansers en een Engelse sterdanseres.
Een groot aantal van de acteurs en actrices was afkomstig uit een acteursfamilie of kroost van bijvoorbeeld de dansmeester, kleedster of één van de technische medewerkers. Van degenen die niet op de planken waren geboren waren de ouders onder meer zeekapitein en wijnhandelaar (Snoek), boekhandelaar (Van Hulst) en timmerman (Kamphuizen). Acteurs en actrices uit deze periode waren voornamelijk afkomstig uit milieus van toneelspelers en kleine zelfstandigen. Toch moet men oppassen dat men deze kleine zelfstandigen niet al te zeer geringschat. De vader en grootvader van Van Hulst dreven al een boekhandel, en waren blijkbaar succesvol genoeg om deze te kunnen voortzetten halverwege de achtttiende eeuw; een tijd waarin de faillissementen in deze branche elkaar snel opvolgden. De vader van Kamphuizen was dan wel timmerman, maar dan waarschijnlijk niet van de meest eenvoudige soort. In 1783 was hij in staat geweest om 6000 gulden in contanten neer te leggen voor een huis en erf aan de Zwanenburgstraat.[100] De kunsten namen in deze familie blijkbaar een grote plaats in: Dirk jr. was acteur en zijn broer Jan fijnschilder.
In het Amsterdam van rond 1800 behoorde de meerderheid (ongeveer de helft) van de bevolking tot de gereformeerde of hervormde kerken, ruim 20 % tot de Rooms-katholieke kerk, zo’n 15% tot de Lutherse en 10 % tot de Joodse gemeenschap.[101] De groep van in dit kader bekeken acteurs is te klein om algemene conclusies uit te trekken, maar zeker is dat zij op religieus gebied een vrij heterogene groep vormden. De families Snoek, Snoeck en Wattier waren rooms; Jan van Well was Luthers; Coenraad van Hulst doopsgezind. Gemengde huwelijken waren geen uitzondering: de gereformeerde Kamphuizen trouwde met de rooms-katholieke Anna Maria Snoek.
