Behalve de opvatting dat tonelisten van nature in enige mate ‘driftig’ moesten zijn, bestond het beeld van een wellustig en onzedelijk volkje. Dit zal ontstaan zijn doordat de verschillende acteurs en actrices een aparte groep vormden, bijeen gehouden door een duizelingwekkend netwerk van relaties en huwelijken. Huwelijkspartners werden bijna zonder uitzondering binnen de eigen groep verkozen. Bijna iedere actrice was met één van de acteurs getrouwd; de enkeling die hierbuiten een ‘goed’ huwelijk sloot, verliet meestal het toneel. Om een paar voorbeelden te noemen: Ward Bingley was getrouwd met een acterende zus van de beroemde Wattier, en was op die manier aan de diva verwant. Pieter Snoeck was getrouwd met Helena en Dirk Kamphuizen weer met Anna Maria Snoek, beide acterende zussen van Andries Snoek. Snoek, Snoeck en Kamphuizen waren dus allen zwagers van elkaar. Majofski sloot een huwelijk met een telg uit de acteursfamilie Adams. Om de cirkel rond te maken: door het huwelijk van Andries Snoek met Maria Hendrika Adams, een zus van Majofski’s vrouw, werden ook deze twee acteursgeslachten aan elkaar verbonden. Er bestaat een prent van Christiaan Andriessen – de broer van Dorothea Andriessen, waar Coenraad van Hulst in 1795 mee trouwde – waarop het onderschrift vermeldt dat het tafereel zich afspeelt op de begrafenis van het kind van Casper Vreedenberg, een familielid van zijn zwager.[94] Hieruit valt op te maken dat ook Vreedenberg en Van Hulst méér waren dan collega’s. En ook de toneelfamilies Jelgerhuis en Lambotte lieten zich door het huwelijk verbinden; één van de dochters van Johannes Jelgerhuis ging haar tweede huwelijk aan met Lambert Simon Lambotte.[95]
Als men bedenkt dat acteurs en actrices ook hun ontluikende zonen en jongedochters aan het toneel brachten en dat zij in een gemengd gezelschap op hun zomerreizen maanden met elkaar doorbrachten, is wel te begrijpen dat men heel wat onzedelijkheden achter het toneel verwachtte. Wellicht ging het er op de zomer-reizen, onder eigen verantwoordelijkheid en zonder het alziend oog van de toneelmeester en schouwburgcommissarissen, ook echt wat losbandiger aan toe. In een toneelalmanak wordt met betrekking tot een Rotterdams reizend gezelschap nadrukkelijk en misschien zelfs met enige verwondering opgemerkt: ‘Dit gezelschap heeft zich, zo wel in de uitvoering der stukken, als door hun zedelyk gedrag, zeer pryswaardig gedragen’.[96]
De tonelisten aan de Amsterdamse Schouwburg waren dus vrienden, collega’s, en familie. Zij waren getuigen bij de dopen van elkaars kinderen, de aangevers van de overledenen, drinkebroers in een koffiehuis aan het Leidseplein, deden (boekhandels-)zaken, en zoals we nog zullen zien verkeerden zij ook nog eens buiten professionele of familiebanden in elkaars gezelschap.
