Een avondje theater zag er in de achttiende en het begin van de negentiende eeuw volkomen anders uit dan nu. Een van de verschillen die direct in het oog lopen was de duur van de voorstellingen. De aanvang was al rond vijf uur in de middag en men kon blijven zitten tot een uur of tien of zelfs rond middernacht. De avond begon met een kort toneel-, zang- of blijspel, dan volgde het hoofdprogramma en het geheel werd meestal afgesloten met een ballet.[51]
Het publiek dat de lange avonden in de schouwburgzaal doorbracht bestond geenszins uit onmondige brave burgers. Zij gaven luidkeels commentaar en joelden en floten als naar hun mening de vertoning niet naar behoren was. Toen in februari 1800 een ruzie was ontstaan tussen het echtpaar Kamphuizen en de actrice de Bruin koos het publiek luidruchtig partij voor de laatste. Nog dagen later werd Dirk Kamphuizen tijdens zijn spel ‘zoodanig uitgefloten, dat men schier geen woord van zyne rol verstond’.[52] Overigens werd er op sommige momenten niet anders van de toeschouwer verwacht dan dat zij zo veel mogelijk lawaai maakten; de mate van joelen of fluiten kon doorslaggevend zijn voor het al dan niet contracteren van een debutant.
In de Hollandsche Spectator van november 1732 beschrijft Justus van Effen het gedrag van het volk tijdens een kermis-uitvoering. De mensen ruzieën, joelen, vrijen, schillen appels of kraken noten en gooien het afval naar beneden, bovenop de hoofden van de toeschouwers in de bak. Niet alleen het ‘gemene’ volk zorgde voor onrust, maar ook de betere standen praatten en lachten te hard. Regelmatig klonk het ‘Houd de bek daer in die Logie’.[53] Nog in 1808 klonk scherpe kritiek op vooral het volkse publiek op de goedkoopste plekken links en rechts bovenin op ‘het schellinkje’. Niet alleen zorgden zij voor overlast door ‘schreeuwen, schelden, vloeken en andere buitenspoorigheden’, ook werd er blijkbaar nog steeds het een en ander over de balustrades geworpen. De betreffende criticus betitelde de bak als ‘het algemeen kwispedoor der schellingsplaats’.[54]
Het uitvergroten en overdrijven van het spectatoriale genre mag men niet uit het oog verliezen, maar er zal ongetwijfeld een kern van waarheid in gezeten hebben. Op prenten uit die tijd die de schouwburg van binnen voorstellen is te zien hoe een gedeelte van het publiek onderling praat, rondloopt of met de rug naar het podium zit. In de eerste plaats was ‘Apollo’s Tempel’ een publieke ruimte, waar men elkaar kon ontmoeten en zich van de laatste nieuwtjes op de hoogte kon brengen. Bij de spektakelstukken werd de aandacht waarschijnlijk vaker naar het toneel getrokken en is het rumoer in de zaal levendig voor te stellen. In een spannende scene waarin Wattier de Franse versie van lady Macbeth speelde deed zij dat schijnbaar met zoveel geestdrift ‘dat het de harten der aanschouwers met eene inwendige rilling treft, en veelligt op aandoenlyke zenuwen eenen nadeeligen invloed heeft’.[55]
Na 1820 lijkt het publiek zelfs de macht te hebben overgenomen in de schouwburg. Van de deftige en ouderwetse treurspelen was de toeschouwer niet langer gediend. Op een zaterdagavond in 1822 was de zaal ‘zeer ledig’, maar misdroeg het aanwezige publiek zich zo dat er tot op het einde van het treurspel een politieman vooraan in de bak moest worden gezet.[56] Een jaar later noteerde C.W. Thöne, de latere penningmeester van de schouwburgcommissie: ‘Het meesterstuk van Racine scheen het fatzoenlykst gedeelte van het Publiek geen aandacht meerder waardig te zyn, alzoo dien avond geen enkele Balconplaats was besproken’.[57] Dan gebeurt er iets dat in de annalen van de schouwburg tot dan toe onbekend was: ‘By den aanvang der Ouverture en het ophalen van het gordyn voor het Ballet, verhieven zich onderscheidende stemmen tot afkeuring, gepaard met een ontzettend fluiten. Na tien minuten vruchtlooze poging tot afspelen, besloot eindelyk het Bestuur het gordyn te doen vallen. Algemeen handgeklap vergezelde dit’.[58] Het treurspel werd vervangen door een ‘divertissement’, dat blijkbaar wel in goede aarde viel. Overigens lijkt men vooral het genre van het treurspel beu geweest te zijn. Bij een optreden van coryfee Andries Snoek was de zaal nog altijd tot in de kleinste hoek bezet.[59]
De Amsterdamse Schouwburg trok haar bezoekers voornamelijk uit de volksklasse en middengroepen. Zelfs in de hoogtijdagen van de deftige tragedie trok de schouwburg niet het meest elitaire publiek. De allerrijksten in de stad begaven zich over het algemeen liever naar de chiquere Franse Comédie aan de Erwtenmarkt.[60] Daarbij herbergden de Hoogduitse, Joodse en Franse tonelen die inmiddels waren opgericht volgens de commissarissen van de Amsterdamse Schouwburg vooral de vertegenwoordigers en sympathisanten van de oude regentenstand, ‘die om hunne Politique gevoelens onze Nationaale Schouwburg niet gaarne Frequenteeren’. Vooral het opruiende gedrag van de directeur van het Franse theater was de commissarissen een doorn in het oog; deze weigerde na de Bataafse omwenteling namelijk zijn spelers aan te kondigen met ‘citoyen’ en liet de woorden ‘la Premiere annee de la Liberte Batave’ bewust weg van de affiches.[61] Ook zakelijk bleken deze theaters in 1796 geduchte tegenstanders. Het schouwburgbestuur waarschuwde vooral op te letten dat de spektakels in de Nationale Schouwburg niet tegelijk geprogrammeerd werden met die in de Hoogduitse en Franse theaters, omdat de toeloop en recettes bij de concurrent dan wel eens groter zouden kunnen zijn.[62]
