Error message

Notice: Undefined index: localized_options in menu_navigation_links() (line 1857 of /public/sites/www.paulinevandenheuvel.nl/includes/menu.inc).

1.1.2. een nieuwe bestuurlijke koers

Het is echter maar de vraag of het nieuwe schouwburgbestuur gezien de omstandigheden inderdaad zo slecht functioneerde. Tenslotte was er in 1795 een geheel nieuw tijdperk aangebroken waarin volop werd gebroken met oude tradities en ook met de schouwburg een nieuwe koers moest worden ingeslagen. Dit bracht het bestuur regelmatig in een lastig parket.

In de lange verantwoordingen en requesten aan de stadsregering blijkt meer van de uitermate moeilijke positie waarin het bestuur zich bij het aantreden in juli 1795 bevond.[13]
In de roerige maanden voor de omwenteling was de schouwburg gesloten geweest. De meerderheid van de acteurs, die ondanks een vaste verbintenis met de Amsterdamse schouwburg geen enkel recht op financiële vergoeding hadden in zo’n situatie, vormde reizende troepen om zo nog iets te verdienen. De meesten van hen waren dan ook niet in de stad bij het aantreden van het nieuwe bestuur. Ook met het corps de ballet was het niet gunstig gesteld; velen waren vanwege het onzekere bestaan teruggekeerd naar hun vaderland Italië. De eerste actrice Johanna Cornelia Wattier was langdurig ziek en bevond zich bovendien op een dagreis afstand in Rotterdam.[14]
De commissarissen zaten dus met een lege schouwburg. Besloten werd om de zaak grondig aan te pakken. In de maand juli 1795 werden er advertenties gezet in onder meer de Leidse, Utrechtse en Rotterdamse courant om aandacht te geven aan de te houden audities op 28 juli. ‘Zo voor de toneelstukken als de baletten. en vocaale en instrumentaale’. Er werd zelfs iemand buiten de landsgrenzen gezonden ‘om de benodigde sujetten, voor het Corps de Ballet te engageeren’.[15]
De nieuwe commissarissen hadden toen al een lijst opgesteld van tonelisten die onder het vorig bestuur aangenomen waren maar eigenlijk ‘door ouderdom of verzwakking, van weinig of geen nut, en dus eerder tot last voor het Nationaal Tooneel waaren’.[16]
Het grote tekort aan spelers redde hen uiteindelijk van ontslag.

Dit was juist de periode dat Andries Snoek, afkomstig uit Rotterdam, met zijn troep speelde bij het amateurtheater ‘Utile et Amusant’, dat een manege in de Utrechtsedwarsstraat tot theater had verbouwd.[17]
Toen hij door één van de schouwburgcommissarissen werd benaderd was Snoek zich blijkbaar bewust van zijn sterke onderhandelingspositie en stelde hij de eis dat hij zijn gehele gezelschap mee mocht nemen. Aangezien het nieuwe speelseizoen spoedig aan zou breken, zag het bestuur van de schouwburg zich genoodzaakt accoord te gaan. De rest van de troep was dan wel minder talentvol dan het echtpaar Snoek, maar dat betekende ook dat de commissarissen hen minder hoefden uit te keren. Besloten werd om de hele troep van twaalf personen aan te nemen en af te wachten wie er op de ‘aangekondigde opentlijke aanneemingsdag’ zouden verschijnen.[18]

In januari 1796 waren de belangrijkste oude acteurs naar Amsterdam teruggekeerd danwel hersteld van ziekte.[19]
Aangevuld met het gezelschap van Andries Snoek beschikte de Amsterdamse Schouwburg dat seizoen over een bijzonder talentvolle spelersgroep, die een bloeiperiode van het Nederlandse toneel zou inluiden.

Ook op andere terreinen dan de samenstelling van de spelersgroep namen de nieuwe commissarissen drastische maatregelen. Van oudsher vloeiden de recettes van de voorstellingen in de kas van de charitatieve instellingen waaraan de regenten zich verbonden hadden, waaronder het oude mannen- en vrouwenhuis. In augustus 1795 deed het nieuwe schouwburgbestuur een verzoek aan de ‘representanten van ’t Volk van Amsterdam’ om al deze oude banden te verbreken. Eigenlijk, zo redeneerden zij, waren alle financiele banden al vervallen met het afbranden van de oude schouwburg aan de Keizersgracht in 1772. De nieuwe schouwburg, die bij de oude Leidsepoort aan het Leidseplein werd opgericht, was immers volledig voor rekening van de stad gekomen. Daarmee was het geworden tot een ‘stads Eigendom en etablissement’. Was het nu niet billijk om jaarlijks ‘alle voordeelen’ van deze instelling over te laten brengen naar de stads kas, zodat als het voor zou komen dat het schouwburgbestuur te kort zou komen, dit verschil ook vanuit de stadskas werd betaald?[20]
Het was een verstandige zet van het bestuur de voorziene tekorten (de decoraties van de schouwburgzaal waren sterk verwaarloosd en aan vervanging toe) op deze manier in te dekken. Deze constructie gaf de schouwburg meer financiële zekerheid.

Er werd gevraagd om een subsidie van 20.000 gulden, niet alleen om het opgelopen tekort weer aan te vullen maar ook voor het doen van nieuwe investeringen. Dit zou immers op den duur gunstig zijn voor de stadskas! Het plan was om op langere termijn de inkomsten te verhogen door het maken van meer kleedkamers[21] en een verbouwing van de koffiekamer, van waaruit het blijkbaar eenvoudig was toegangslootjes door te geven of in te sluipen in de Bak.[22] Daarnaast moest een nieuwe ‘pretieuse’ garderobe worden aangeschaft: ook ‘alle nieuwe sujetten van Snoek’ hadden immers kleding nodig. Alle oude oranje kostuums moesten uiteraard verdwijnen en ook de prinsen- en koningsmantels konden na de machtswisseling niet meer met goed fatsoen worden vertoond. Naast de materiële uitgaven was het nodig het orkest te versterken om publiekstrekkende opera’s en balletten op de planken te kunnen brengen. De uitgaven werden in eerste instantie verminderd door het komende seizoen drie in plaats van vier speelavonden te verzorgen.[23]

Ondanks deze initiatieven leek er in de praktijk weinig te veranderen. Nadat, in de geest van de omwenteling, de rekeningen van de schouwburg openbaar werden gemaakt werd de financiële situatie waarin de schouwburg verkeerde duidelijk. Elk jaar weer ontstonden er enorme tekorten op de rekening. Teleurgesteld constateert Nomsz in zijn Redevoeringen: ‘Zo dat de schouwburg slechts een hoop aanzienlijke domooren heeft gelost, om met een hoop weetnieten, en geldvermorschers uit den burgerstand te worden opgeschikt’.[24]

In 1795 was de tijd nog niet rijp geweest voor tonelisten aan de top van de schouwburg; de leden van de municipaliteit negeerden simpelweg het verzoek om een aantal acteurs in het bestuur zitting te laten nemen. Pas jaren later werden er pogingen gedaan om de acteurs meer inspraak te geven in het dagelijks bestuur van de schouwburg. Van 1798 tot 1800 kreeg de Nationale Schouwburg officieel de naam van ‘Schouwburg der Bataafsche Republiek’ door het Uitvoerend Bewind, onder ‘oppertoevoorzicht’ van de ‘Agent der Nationale Opvoeding’.[25] Die besloot, ondanks smeekbedes aan hem gericht over het vervangen van het voorgordijn dat al bijna vijfentwintig jaar hing, dat er flink moest worden bezuinigd.[26] In 1800, toen er inmiddels een gematigder landsbestuur was aangesteld, kwam het theater weer in handen van de stad. De sympathieën voor de Franse bezetter waren toen al lang en breed verdwenen. In 1806 werd Lodewijk Napoleon als koning aangesteld – voortaan zou het theater door het leven gaan als ‘Koninklijke Hollandsche Schouwburg’, en de acteurs en actrices als ‘Koninklijke Hof-tooneelspelers’. Een generaal-commissaris kreeg het oppertoezicht over alle schouwburgen in het land.[27]

Pas in 1811, toen na de annexatie door Frankrijk de stad Amsterdam de handen aftrok van de stadsschouwburg, werd de manier van besturen in het voordeel van de acteurs aangepast. De tonelisten die in de afgelopen jaren voor de meeste successen hadden gezorgd, Andries Snoek, Theodorus Majofski en Johanna Cornelia Wattier, vormden voortaan samen met commissaris en penningmeester Willem Haverkorn de directie. Zij betaalden jaarlijks 10.000,- gulden pacht aan de stad. Daarvoor ontvingen zij ook een percentage van de inkomsten van alle openbare gelegenheden, inclusief de speelhuizen en bordelen.[28]

Het was echter niet de gemakkelijkste periode om aan het roer van de schouwburg te staan. Napoleon had een aantal ingrijpende maatregelen ingevoerd, waaronder de censuur. Alle publikaties, ook die van literaire strekking, stonden onder Franse controle. Op het toneel probeerde men dit nog wel eens te ontduiken: Het volk kwam massaal toestromen tijdens de opvoering van het vaderlandslievende Het Turfschip van Breda, door C. van der Vijver. In 1795 was het ondenkbaar geweest, maar nu viel het personage van prins Maurits uitzinnig gejuich en aanmoediging ten deel. Het stuk werd, met veel andere, al snel verboden en de Franse politie werd gemachtigd in te grijpen bij opstandigheid van de acteurs of het publiek.[29]

Net als het vorige bestuur van commissarssen konden ook de acteurs de dagelijkse leiding niet altijd goed in de hand houden. Zo zou het acteursbestuur de betalingen steevast te laat hebben uitgekeerd; in extreme gevallen zelfs pas als het toneelseizoen al maanden was afgesloten.[30] Volgens acteur/schilder Johannes Jelgerhuis ging het gerucht al jaren dat de Amsterdamse Schouwburg ‘weederom aan de Stad amsterdam zoude koomen’.[31] In 1820 werd dit een feit. Volgens de anonieme auteur van een Brief ‘over den tegenwoordigen staat van den stads-schouwburg te Amsterdam’ waren de acteurs niet afgezet, maar hadden zij zelf de huur opgezegd doordat de inkomsten slonken en zij de situatie niet meer aan konden.[32] In elk geval zag het stadsbestuur zich genoodzaakt met harde hand in te grijpen: ‘de Heeren Snoek en majofski die sedert het Fransche jaar 1811 directeuren waaren werden van hun waardighyd ontzet en hun geen sweem van gezag over gelaaten’.[33] Alle kleding, decoraties en muziekstukken moesten worden afgestaan om het tekort over het seizoen 1819-20 goed te maken.[34] Zelfs de oude regentenkamer van de Schouwburg, die vernietigd werd met de omwenteling in 1795, werd weer in oude luister hersteld. De acteurs en actrices werden op dezelfde voet als daarvoor geengageerd door de nieuwe Commissarissen. Allemaal, behalve Caspar Vreedenberg, die om onduidelijke redenen ontslagen werd en zijn post als garderobemeester, die hij jarenlang vervuld had, ‘aan eenen vreemdeling, aan eenen begunstigde van eenen der kommissarissen’ zag overgaan.[35] Dit alles leek Jelgerhuis weinig te deren, en hij geeft de ontkroonde acteurs-bestuurders nog een gemene trap na: ‘en de slagtoffers deezer Resolutie waaren wijnigen. en konden niet zoo ongelukkig genoemt worden als die van 1811’.[36]

In 1840 zag de gemeente geheel af van de exploitatie van de stadsschouwburg. In 1841 werd het opnieuw verpacht. Onder de nieuwe directeuren waren onder meer Pieter Snoeck en Marten Westerman, die al jaren zelf op de planken hadden gestaan.[37]